‘Wie ben je, wat is je verhaal?’

Als ik mevrouw verzorgde, moesten ook haar haren worden gedaan. Dat moest in een paar draaien in een wrong, schuifjes erin en vervolgens een speld. Daar heb ik een aantal keren op moeten oefenen, zodat het niet na een uur weer uit elkaar viel.

Ze lag op een kamer van vier bewoners. Het was mijn eerste stage, mijn eerste kennismaking met het werken in de zorg. Ik kwam op een afdeling voor mensen met dementie, diep verzonken dementie. Zij lag daar ook, met haar mooie broze grijze haren. Ze keek me nooit echt aan. Het leek wel of ze dwars door me heen keen. Heel soms kwamen er wat klanken, maar woorden sprak ze niet. ‘Wie ben je, wat is je verhaal?’ dat vroeg ik me vaak af. ‘Wie ben jij, bewoonster op een kamer van vier.’

Als er koormuziek werd opgezet, leefde mevrouw op. Haar handen gingen omhoog en ze begon te wiegen in haar stoel. Haar ogen werden groot en haar klanken schoten een octaaf omhoog. In haar hart zong ze waarschijnlijk het hoogste lied, zong ze zo de psalmen mee. Ik keek daar met verwondering naar en dan kwam nog meer die vraag naar boven: ‘Wie ben jij? Wat is jouw verhaal?’

Veel persoonlijke spullen had mevrouw niet. Ze had alleen een prikbord boven haar bed waar vele foto’s zichtbaar waren. Daar zag ik haar, als meisje en als jonge vrouw. Ze straalde kracht uit in haar houding. Daar stond ze op in een donkere jurk of juist een vrolijke met bloemetjesmotief, haar haren keurig opgestoken. Lachend, samen met anderen en soms ook alleen. Beelden uit het verleden, in zwartwit en sepia.

Ik heb daar vaak naar gekeken. Terloops, of even wat langer. Ik heb de verhalen gehoord van collega’s, kleine flarden van haar leven. Ik zag het kort en bondig beschreven in het verslag in haar dossier. Alles bij elkaar kwam haar bestaan meer tot leven. Werd ze meer dan een bewoonster in een verzonken dementie, onbereikbaar voor ons. Zwartwit en sepia kreeg steeds meer kleur.

Ze werd iemand die ik als mens nooit vergeten ben en die altijd bij me bovenkomt als ik de vraag stel aan mezelf of aan anderen: ‘Wie is je bewoner, wat is zijn verhaal?’

Tien weken duurde mijn stage in het verpleeghuis. Het leerde mij de basis voor hoe je zorg geeft. Hoe je wast, hoe je aankleedt, hoe je een bed opmaakt, hoe je bewoners eten geeft. Het heeft vooral ook de basis gelegd in het kijken naar de mens achter de dementie. Haar haren uitborstelen, werd meer dan een dagelijks terugkerende handeling. Het werd iets wat bij haar hoorde, waar ze aandacht aan besteedde en wat ik met mijn handen voor haar overnam. Sierlijke wrong, schuifjes erin en een speld. Ik zie het nog zo voor me, met mijn ogen dicht. Mooie bewoonster, op een kamer van vier.

Appeltaart met luchies.

‘Wie kan er appeltaart bakken?’ de vrouwen aan tafel kijken me ineens allemaal geïnteresseerd aan. Zojuist heeft een bewoonster vertelt dat haar oom ziek is. ‘Tjonge, jonge, jonge, wie had dat nou gedacht! Oom Piet is nooit ziek en nu is hij ziek’ en iedereen keek haar meelevend haar aan. Totdat ze dit herhaalde en herhaalde en nogmaals herhaalde. De mevrouw aan de overkant boog haar hoofd, het leek wel of ze zich ervoor wilde afsluiten. De mevrouw op de hoek begon zich te irriteren, schoof onrustig heen en weer op de stoel en zuchtte hoorbaar.

Naast mij zit een nog een bewoonster. Zij lijkt zich nergens aan te storen. Ze heeft haar focus op het tafelkleedje die onder de bak met plantjes ligt. Een kleedje met strepen, ze volgt ze met haar vingers. Ook dat vindt mevrouw op de hoek niet fijn en dat maakt ze met felle bewoordingen duidelijk. Daar zit ik dan tussen en ik zie het gebeuren. De verhalen over oom Piet en het gefrutsel aan het kleedje doet wat met de sfeer.

‘Ik wil bloem’ zegt de mevrouw naast me ineens. Eerst denk ik nog dat ze doelt op bloemen, omdat ze nu eenmaal pal voor de kunstplanten zit. Nee, dat bedoelt mevrouw zeer zeker niet en ze schudt heftig met haar hoofd. ‘Bedoelt u om te bakken?’ vraag ik en nu kijkt ze me lachend aan.

‘Wie kan er appeltaart bakken?’ vraag ik dan maar en alle vier de vrouwen kijken me blij aan en ze steken enthousiast hun vingers omhoog. ‘Hoe maakt u dat, wat doet u er in?’ en ik zie ze denken met elkaar. Het is net of de allemaal met hun schorten voor in hun eigen keuken staan en de planken afgaan op zoek naar de juiste ingrediënten. ‘Meel’ zegt de één. ‘Appels’ zegt de ander. ‘Rozijnen, kaneel, boter….’ langzaam aan krijgt de appeltaart steeds meer vorm in onze verbeelding.

‘En luchies…..zegt de vrouw naast me parmantig. Iedereen kijkt haar vragend aan. ‘Bedoelt u dat het lekker ruikt?’ vraag ik, want dat kan ik me wel voorstellen. In gedachten zie je niet alleen de appeltaart, je ruikt hem bijna ook. ‘Nee luchies’ en ze vindt het maar vreemd dat ik dat niet weet. ‘Dat is een kommetje suiker!’, ze kijkt iedereen heel stellig aan en we knikken braaf.

Oom Piet is vergeten, het kleedje levert geen prikkels meer op. Iedereen kijkt een tikkeltje voldaan. De lucht is geklaard en wat overblijft is een taart in gedachten en hoe goed we die samen gebakken hebben.

In gedachten, in het echt is hij er natuurlijk niet. Onze appeltaart met luchies.

Zorgend

Twee poppen liggen op haar arm. Een jongen en een meisje. Levensecht bijna. Ze wiegt ze op haar arm. Het jongetje is kaal, althans zo lijkt het. Het meisje heeft echter veel hoofdhaar. Aaibaar. Mevrouw streelt geregeld met haar vingers erover heen en strijkt vervolgens heel lichtjes over de blosjes op de wangen van het meisje.

Foto: A. Bruinsma

‘Heeft ze dat van haar moeder, die dikke bos haar?’ vraag ik aan mevrouw. ‘Nee’ zegt ze stellig ‘moeder had dat niet’. Ze knuffelt de beide poppen en ze zucht ook. Twee van die poppen op je arm zijn best zwaar. ‘Zullen we samen zingen voor ze?’ vraag ik en dan zetten we samen ‘slaap kindje slaap’ in. De bewoonster naast me kijkt me verbaasd aan, terwijl het ontbijt nog voor haar op tafel staat. Dan lacht ze toch en ze neuriet zachtjes mee.

Ik zie haar meestal lopen. Heen en weer, buiten in de tuin. Ze probeert of het tuinhek open kan, maar het tuinhek zit dicht. Dan loopt ze weer haar vaste rondje, tot ze ons weer glimlachend passeert en een volgende ronde begint.

Ze wil graag zorgen. Ze schenkt de koffie in, maar wél op haar manier. Kopje op een schotel waar een lepeltje op drijft. Ze wast de borden af en als je niet uitkijkt staat daarna alles weliswaar netjes in de kast, maar plakken de aardappelresten er nog aan. De planten krijgen volop water, zelfs de kunstbloemen komen niets tekort in deze woning. Ze werpt je haar zakdoek toe als je morst op tafel en ze buigt zich ongevraagd over je heen, om je kraagje glad te strijken.

In haar zorgen zit haar rust. Zo lijkt het. Alsof ze er dan grip op heeft. In het niets doen, zit een leegte waar ze geen vat op heeft. Het ritme van de dag, die heeft ze niet zelf meer in de hand. Sterker nog, de tijd deelt ze met anderen. Die prikkelen haar om te zorgen, die wijzen het vaak ook af. Zo dwaalt ze rondjes, in haar gedachten en in de stappen die ze zet.

Nu zit ze echter. Ze kan geen koffie schenken, ze kan de tafel niet afnemen, ze kan haar medebewoonster niet wakker schudden, die dommelend naast haar zit. Op haar arm liggen twee poppen en ze kiest er zelf voor om te blijven zitten. Voor de poppen op haar arm, die slapend op haar arm lijken te liggen. Voor even is de rust niet ongrijpbaar, voor even heeft de rust een plekje in haar gevoel.

Zo rustig zittend. Zo zorgend. Zo in haar element.
Mooi moment.

Contact!

Als ik jou zie moet ik altijd glimlachen. Met vertedering kijk ik je aan, wie niet eigenlijk? Kleine vrouw in een rolstoel met badstof bekleding. Alsof je gekoesterd wordt, omhuld wordt met een laag zachtheid die jouw kwetsbaarheid beschermd.

Teer leven.

Je staart me aan, terwijl ik voor je ga zitten. Ogen samengeknepen, maar ergens zijn de pretlichtjes zichtbaar en jouw nieuwsgierigheid. Het lijkt alsof je me iets wil vertellen, maar in plaats daarvan trek je jouw wenkbrauwen op. Je uit wat klanken, maar ik versta je niet. Je blik lijkt te zeggen dat je contact wil, maar je komt niet dichterbij.

Aan tafel is het gezellig. De muziek staat aan. Krijg je het mee? Soms dommel je weg, ondanks de koffie en de arretjescake die wordt aangesneden. Jouw kleine wereld opgesloten in de kuip van je stoel. Tussen de zachtheid van het badstof, zit je daar. Je raakt me.

Verzonken gedachten, naar binnen gekeerd. Ergens ook zo alert, alsof je de omgeving in je op wil nemen en daar onderdeel van wil zijn. En je bent er onderdeel van, hoe klein je wereld ook is. Als ik mijn haar uit mijn gezicht wegstrijk, zie ik jouw hand ook omhoog gaan. Heel langzaam gaan je vingers langs je dunne haar. De krulletjes die er nog inzitten, dansen speels om je heen.

In het spiegelbeeld zit soms het geheim.

Mijn armen strek ik voor me uit, ze rusten op tafel. Langzaam gaan jouw armen vooruit, totdat je met jouw vingers mijn handen aanraakt. Warme hand op mijn hand. Je pakt mijn pols beet en met de andere hand streel je me. Zachte, gerimpelde hand over mijn rood verkleurde armen. Heel teder voel je. Met alle aandacht die je hebt, zo lijkt het, voel je met je hand mijn arm.

Ik kijk jou aan en jij kijkt mij aan. Je hand blijft mijn onderarm strelen en er verschijnt een glimlach op je gezicht. We hebben contact!

‘Daar brandt geen licht’

‘Aan de binnenkant van mijn ogen, daar brandt geen licht’ zei ze wat verdrietig. Ik moet nog vaak denken aan die uitspraak. Ze had die nacht wakker gelegen en toen ik op haar kamer kwam, wilde ze graag dat ik nog even bij haar bleef. Dus ging ik naast haar zitten op haar bed. Ze hield mijn hand vast, gaf aan dat ze bang was en het was voldoende dat ik er was.

Zo zaten we een tijdje. Zwak licht van de schemerlamp, stilte en rust en zij bijna bedekt door een warme deken. Dat leek zo veilig en geborgen, maar blijkbaar was de nacht lang en was ze bang. Ze kon zich niet goed overgeven aan de rust, ze voelde niet de veiligheid om te gaan slapen.

‘Als ik mijn ogen sluit…’ tja en wat dan? Dan komen de dromen, de gedachten, het onderbuikgevoel dat opborrelt in de nacht. Ik kan ze niet vangen, ik begrijp niet altijd de flarden. Ik zie wel dat ze er zijn. Waar zit je met je gedachten? Waar ben je bang voor? Wat doet de nacht met jou? Ben je bang voor de beelden, of is het dieper, gaat het dieper dan dat?

Donker doet iets. In het donker is het leven minder grijpbaar. In het donker ben je alleen, is het stil op je eigen hartslag na en het tikken van de klok.

‘Ga maar slapen, bekijk de binnenkant van je ogen maar’ zei ik tegen haar. Ik moest verder, ik kon niet de hele nacht bij haar blijven. Andere bewoners belden, ik moest verder met mijn ronde. ‘Bekijk de binnenkant van je ogen maar’ en ik zei het met een glimlach. Bewoonster keek me niet lachend aan. Integendeel. Ze keek verdrietig en zei: ‘Aan de binnenkant van mijn ogen, daar brandt geen licht.’

Het ging niet om de schemerlamp, de warme deken en het tikken van de klok. Mijn hand in de hare, dat gaf gevoel van nabijheid, maar hield het donker niet op afstand. Misschien een beetje, het schoof haar bange dromen even aan de kant. Met het sluiten van haar ogen, was de angst weer levensgroot. De angst om te slapen en te vechten tegen de onzekerheid dat je misschien nooit meer wakker wordt.

Dat doet de nacht.

‘Bekijk de binnenkant van je ogen maar’ ik moet geregeld aan haar uitspraak denken. Ik zal dat niet zo snel meer zeggen, want dan denk ik aan het licht dat daar niet brandt. Als ik hoor van bewoners die bang zijn, juist ’s nachts, die niet goed slapen en onrustig zijn, dan denk ik wel altijd: ‘Was er maar een lichtje. Kon ik je maar een lichtje geven aan de binnenkant van je ogen, die je rust geeft in de nacht.’

Theezakmoment

Lees je ook altijd de vraag die er staat op de theezakjes van een speciaal merk thee? Ik lees hem altijd en lees hem ook vaak hardop voor aan mijn kinderen en mijn collega’s. De ene keer ontvang ik wat standaardantwoorden of geen antwoord, een andere keer is het antwoord verrassend. Een klein minigesprekje bij het aanrecht. Theezakmomentjes.

In het verpleeghuis zijn er volop theezakmomenten. Dat lijkt niet altijd zo. Bewoners zitten soms zwijgzaam bij elkaar. Op de afdeling somatiek zitten bewoners veel op hun eigen appartement en als ze dan aan de maaltijd gaan in het restaurant, lijkt me dat zo’n heerlijk moment om even met elkaar te kletsen. Dat is echter niet altijd zo en dan eet iedereen zwijgzaam zijn of haar bord leeg. Ik begrijp wel dat bewoners elkaar niet altijd wat te vertellen hebben. Dat hoeft natuurlijk ook niet, stilte mag er ook zijn. Het kriebelt wel bij me als ik langs die tafels loop en de stilte hoor, of enkel het getik van het bestek op de borden.

Dus….dan wens ik de bewoners een smakelijke maaltijd toe. Eén mevrouw kijkt me aan, haar hand gaat omhoog en ze zegt langzaam: ‘Dag Lydia!’. Ah kijk, ze kent mijn naam. ‘Mooie lippenstift’ en haar ogen beginnen te glimmen. Aan de andere tafel kijken de bewoners me verwachtingsvol aan. Ik kan daar, voor mijn gevoel, niet zomaar voorbij lopen. Ik vraag een bewoner hoe de nieuwe rolstoel bevalt. ‘Sturen gaat steeds makkelijker’ zegt hij. Met een rare omweg komen we uit bij het rijbewijs.

‘Ik heb geen rijbewijs’ zeg ik. Nu heb ik zeker alle aandacht. Een paar bewoners, waaronder de bewoner van de nieuwe rolstoel, grijnzen breeduit. Ze lachen me nog net niet uit. Schijnbaar is het grappig en het lokt ook verbazing uit. ‘Ik fiets’ zeg ik opgewekt, terwijl het buiten regent en waait. ‘Ik heb ook geen rijbewijs hoor’ zegt een mevrouw troostend. ‘Moet je ver fietsen?’ vraagt een meneer. ‘Dat valt mee’ antwoord ik en ik noem de straat waar ik woon en ik vertel welke bewoner er vroeger in woonde. ‘Het zegt mij niets…..’ zeg ik erbij maar ik merk dat ze aan tafel volop weten wie dat is.

‘Oh Pietje, van het pompstation!’ zegt meneer enthousiast en een andere bewoner knikt bevestigend. Herkenning volop. Verhalen liggen ineens op tafel en de aandacht voor het ontbreken van mijn rijbewijs is totaal verdwenen. Dat geeft ook niet. Ik vind het leuk dat de bewoners met elkaar in gesprek zijn. Over Pietje, over de wijk waar ik woon en wie daar nog meer woonde. Over het pompstation….en ik loop verder om weer aan het werk te gaan. Het geroezemoes aan tafel is niet zomaar weg. Ik hoor ze doorpraten met elkaar. Leuk is dat.

Het is eigenlijk niet zo moeilijk om een gesprek te beginnen. Ergens is er wel een haakje, waar een verhaal aan opgehangen kan worden. Ook bij bewoners op de pg-afdeling. Soms is het wel handig als je iemand kent. Zo zat ik laatst naast een bewoonster op de groep. Het spel ‘Vragenderwijs’ lag op tafel. Een koffertje vol vragen en zinnen die afgemaakt moeten worden van spreekwoorden en liedjes. ‘Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de Overtoom’ lees ik hardop voor (wetende dat mevrouw uit Amsterdam komt) en mevrouw maakt de zin voor me af.

‘Ik begreep als kind nooit wat de Overtoom was’ vertel ik mevrouw. Mevrouw moet lachen, zij weet het wel. ‘Dat ligt in Amsterdam!’ zegt ze vrolijk. Voor we het weten hebben we het over de Prinsengracht, het Rijksmuseum en wandelen we met woorden door de Kalverstraat. ‘Ik ga weer hoor’ zeg ik en mevrouw bedankt me hartelijk voor het interessante gesprek. Ze zwaait me uit. Ik vind dat mooi. Even de stilte doorbreken, beelden opwerpen, herinneringen ophalen waar je samen van kunt genieten of de ander op kan bevragen. Theezakmomenten, vind ik dat.

Stilte is ook fijn. Gisteren zat ik aan een tafel achter de laptop in het restaurant te werken. Naast me zat een bewoonster eindeloos netjes te kleuren. Ik keek er met bewondering naar. Zoveel geduld en precisie bij het inkleuren en het kiezen van de potloden. Heel even keek ze op en sprak ze spontaan haar verbazing uit over het feit dat ik nog mijn eigen gebit had (daar moet ik dan weer om lachen), maar verder werkten we zwijgzaam verder.

‘Wilt u een kop koffie of thee?’ ik doorbreek de stilte tussen ons. Dat wil ze wel. Zij een kop koffie, ik een kop thee. ‘Zal ik de vraag voorlezen van het theezakje?’ gaat het even door mijn hoofd. Nee, ik laat het zo. Ook die momenten zijn fijn, gewoon genieten van de stilte en een warm kopje thee.

Tube zinkzalf

‘Wil je mijn zak insmeren?’ vraagt een patiënt terwijl hij in zijn witte ondergoed op de rand van zijn bed zit. ‘Het voelt allemaal zo schraal aan’ en hij reikt mij de tube met zinkzalf aan. Ik, 22 jaar en net afgestudeerd, trek handschoenen aan en neem de tube zalf van hem over. Terwijl op mijn vingertop een kloddertje zalf klaar ligt om uitgesmeerd te worden en meneer met ontbloot onderlichaam voor mij staat, word ik me ineens ergens bewust van. ‘Kan u dat eigenlijk niet zelf?’ vraag ik hem terwijl ik al begin te smeren. Meneer lacht hardop: ‘Ik vind het wel fijn als jij dat doet!’

Ik denk dat veel zorgverleners soortgelijke verhalen kunnen vertellen. Verhalen waar je soms wel om kan lachen en verhalen waar je echt wel merkt dat het je collega veel heeft gedaan. Mijn genoemde situatie, daar voelde ik me op dat moment naïef en dom bij. Ik had daar als verpleegkundige behulpzaam willen zijn en had totaal niet in de gaten dat er achter zijn vraag een andere wens schuil ging. Daar heb ik wel van geleerd en ik kan er achteraf ook wel om lachen.

Ik zie me daar nog zo staan, met die handschoen aan en die klodder zalf balancerend op mijn vinger. Zoals ik me ook zie staan bij dat bed in het het verpleeghuis. Mijn eerste stage, de verwachtingen waren hoog op de afdeling. HBO-V! Maar ik had nog nooit iemand in het echt hoeven wassen en daar werd ik ineens met waskommen en al bij het bed van een bewoner geplaatst. Een man! Het was druk op de afdeling, ze hadden geen tijd voor mij. Dus ja…Het is heus wel gelukt, maar ik zal dat gevoel van ongemak nooit vergeten.

Het is fijn als je stagiaires daarin begeleidt. ‘Heb je al eens iemand gewassen?’ en dan heb je een gesprek met elkaar daarover. Gun en geef ze de tijd om te leren om iemand te wassen. Vraag door hoe dat gaat en hoe de stagiaire dat ervaart. Dan blijkt de één het niet erg te vinden, maar soms is het ook wel wennen voor de stagiaire. Is het vreemd en voelt het intiem.

Dan neem je de stagiaire ook mee in hoe jij kan bijdragen in de zorg voor privacy van de bewoner. Waar zij niet altijd zelf hun grenzen kunnen bewaken of voor zichzelf kunnen opkomen, kan jij als zorgverlener wel letten op hoe je met hun kwetsbaarheid omgaat. Dat zit in simpele dingen als aandacht hebben voor een badkamerdeur die dicht is als jij ze helpt onder de douche. In het voorkomen dat een collega de kamer binnenkomt, terwijl jij de bewoner wast. Het overkomt ons allemaal wel eens, dat je wil vragen of je je collega nog kan helpen, om het hoekje van de deur kijkt en de bewoner net verdroogd wordt. Of dat je samen iemand wast, bijpraat over het afgelopen weekend. Pratend met elkaar was je de bewoner, die daar zo kwetsbaar tussen jullie in ligt. Het overkomt je wel eens, maar het is wel goed om je daar zo nu en dan bewust van te zijn.

Hoe zou ik dat zelf ervaren?

Je hebt ook je eigen grenzen in de zorg naar bewoners toe. Dat is niet altijd zo makkelijk als het lijkt. Want een bewoner met dementie die jou wel eens op de billen slaat….kan je hem daar eigenlijk wel op aanspreken? Helpt dat? Kan je dat gedrag nog veranderen? Wat doe je als een bewoner geregeld porno kijkt, terwijl jij de kamer binnenkomt en de steunkous uit wil trekken? Het is fijn als je dat binnen je team kan bespreken. Wat doet het met je? Raakt het je en wat kunnen we er als team mee? Moeten we er iets mee? Hoe ga je om met bewoners die jou spontaan een knuffel geven of zomaar een zoen op de wang. Vind je dat erg, hoort dat erbij als je bijvoorbeeld werkt met bewoners met dementie? Weet je van jezelf en van je collega hoe je daarin staat?

Maak het bespreekbaar.

Ach ja, zo is er nog heel veel te zeggen hierover. Als ik er met collega’s over praat, hebben we er mooie gesprekken over. Dan moet ik toch altijd weer denken aan die patiënt die me vroeg of ik zijn zak wilde insmeren. ‘Ik vind het wel fijn als jij dat doet’ ik hoor het hem nog zo zeggen. Mijn collega lacht als ik het haar vertel. ‘Heb je het wel ingesmeerd?’ vraagt ze. Nu moet ik ook lachen. ‘Ja, bleu als ik was, deed ik dat maar. Ik was toch al bezig. ‘

Vandaag ga ik

‘Vandaag ga ik dood’ zegt ze, terwijl ik haar op de rand van het bed heb zitten. Ik heb haar net de washand gegeven. Ze zegt het met een stelligheid, zoals ze dat vaker tegen mij zegt. Ik kijk haar aan en zij kijkt mij aan. ‘Vandaag ga ik dood’ en ze zoekt bij mij bevestiging.

‘Oh nee, niet vandaag hoor. Daar heb ik écht geen zin in’ zeg ik quasi serieus. ‘Hoezo niet?’ en ze wast haar wangen, ze worden er rood van. ‘Dan heb ik daar zoveel werk mee, daar heb ik vandaag helemaal geen zin in’ ze kijkt me verbaasd aan. ‘Meen je dat?’ vraagt ze en ze kijkt me recht in mijn ogen aan, alsof ze wil ontdekken of ik een grapje maak. ‘Ja, echt waar. Dan wil ik je netjes neerleggen, moet ik de arts bellen, je kinderen….vandaag niet hoor’ en ze beseft ineens dat ik haar inderdaad voor de gek houd. Er verschijnt een grote glimlach van oor tot oor. ‘Wat ben je toch een schat’ en dan begint de dag en ze heeft het niet meer over doodgaan.

Nou ja, soms wel. Soms is daar ineens de dood aanwezig. In haar vraag of je nog even bij haar blijft, even naast haar wil zitten op het bed en haar hand wil vasthouden, omdat ze bang is. Soms is ze ’s nachts wakker en is ze er stellig van overtuigd dat ze iemand heeft vermoord. ‘Ik heb écht iemand vermoord hoor, ze ligt in de gang’ en hoe ik haar ook wil geruststellen, het helpt niets. Ze blijft herhalen: ‘Ik heb iemand vermoord’ en denk maar niet dat ze nog slapen gaat.

‘Weet je wat, ik zal het opruimen en ik zal de gang dweilen. Dan zie je er morgen niets meer van ‘ zeg ik in een poging om haar rustig te krijgen. In het schijnsel van de schemerlamp zie ik dat ze haar hoofd op het kussen neerlegt en glimlacht. ‘Ah, dat is fijn’ zegt ze en wederom ben ik een schat. Ze draait zich om op haar zij en sluit haar ogen, in de veronderstelling dat zij lekker slapen mag en dat ik de boel wel opruim.

Met haar kan ik zo spreken. Wat ik bij een ander niet zeggen kan, dat kan bij haar wel. Het stelt haar gerust, en de kwinkslag in mijn woorden leidt haar af. Breekt het moment waarin ze alles wat somber ziet. Dan is de dood verdwenen en maken we de wasbeurt af. Is het weg, is het vergeten, totdat het ineens weer naar boven komt. ‘Blijf je even bij me? Ik ben bang.’

Totdat het sterven echt dichtbij is. Ze ligt op bed, ze wil niet meer. Haar mond houdt ze stevig dicht. Ze eet al dagen niet meer en de medicatie weigert ze volop. Het is goed zo. De dood dichtbij en ik sta naast haar bed. Ze slaapt, haar ogen iets geopend, maar ze kijkt me niet meer aan.

‘Vandaag mag je. Vandaag mag je sterven, het is goed. Je kinderen omringen je, ze zijn er allemaal’ en ik streel haar hand. ‘Vandaag mag je, ook in mijn dienst hoor!’ Het is geen kwinkslag en geen grapje om haar af te leiden, om de lach op haar gezicht te toveren. ‘Vandaag mag je’ is mijn aanmoediging aan haar om het los te laten. Het is goed en ik gun het haar zo.

Ze sterft die dag. Ik ben nog net niet naar huis. Samen met een collega verzorgen we haar, wassen we haar gezicht, kam ik haar haren. Voor een laatste keer. Zoveel jaren was ze hier, woonde ze hier. Terwijl ik naar haar kijk, komen al die momenten en gesprekken even naar boven.

‘Vandaag ga ik dood’ ik hoor het haar in gedachten zeggen. Ik streel haar hand en leg ze netjes over elkaar op de dekens neer.

‘Dag lieve bewoonster, ik vond jou ook een schat!’

Op reis!

We gaan op reis. Je kan blijven zitten, gewoon blijven zitten. We gaan op reis, reken maar. Het kost je niets, het is helemaal gratis. Heel even geduld en dan ben je waar je wezen wilt. Althans, dat hoop ik maar.

Zullen we dan maar? Vertrouw je mij?

Daar gaan we dan.

Voor we er erg in hebben zijn we al in Amsterdam. Het Rijksmuseum doemt voor ons op en ineens zijn we lopend door kleine straatjes bij je huis aangekomen. Maar het is een ver verleden en de beelden van alle gebouwen en herinneringen, zijn vervlochten met elkaar. De stilte valt en de vertwijfeling.

Je hoeft niet lang te wachten, onze reis wordt door een ander voortgezet. Ze neemt ons aan de arm mee en dan wandelen we langs de Kalverstraat, het paleis op de Dam, de Prinsengracht…..ja, dat zegt je nog wel wat. Ik zie je glimlach weer en je hoofd knikt instemmend, terwijl je nogmaals roert in de koffie.

Ineens zijn we weer in Twente, het stuur is door een ander overgenomen. Bevinden we ons voor het oude ziekenhuis van Oldenzaal. ‘Een prachtig mooi gebouw, daar heerste rust en stilte’ vertelt ze en we dwalen met haar mee door de lange gangen. We worden meegenomen naar de dansschool, waar zij haar eerste danslessen kreeg. Waar ze verliefd werd op haar man en we glimlachen allemaal. Ik zie het voor me, met haar sjaaltje om de hals. Zwierend meisje.

We gaan langs Utrecht, maar het flitst aan ons voorbij. De gedachten en de beelden zijn in mist gehuld. Totdat er ineens een opleving komt. ‘Wat hadden we een mooi weekend! We zijn met elkaar een weekend weg geweest!’ en we volgen niet het draadje, maar de glimmende ogen en het plezier dat we kunnen lezen in haar blik, maakt dat we nog steeds voldoening halen uit onze reis. Haar lach, haar rode blos, een hand op mijn hand.

Onze reis gaat verder. Dwars door Hongarije en we leren hoe we ‘proost’ in het Hongaars kunnen uitspreken. Dat zijn we uiteraard alweer vergeten, maar de pogingen om het goed na te zeggen, houdt ons even bezig. Hij lacht breeduit om onze beroerde uitspraak, terwijl hij herhaalt: ‘Egészégére!’

Ik neem je mee op reis. Ik neem je mee met mijn ene vraag: ‘Waar kom jij vandaan?’ en we genieten allemaal mee als je gaat vertellen. Als jij iets laat doorschemeren van de plaatjes in je hoofd. Waar de één lange verhalen kan vertellen, blijft de ander steken bij de voordeur. Het is goed, we weven al die verhalen aan elkaar. Als een bundel van mooie momenten, waar we samen van genieten. Als blaadjes vol zinnen en foto’s, die neerdwarrelen in ons hoofd.

Ik neem je mee op reis? Nee, jij neemt mij mee op reis. Jij laat mij iets van jouw wereld zien. Ik stap in en jij voert mij mee. In je gedachten en je herinneringen. Het zit in kleine zinnen en flinterdunne momenten. Ik vind ze waardevol. Ik luister graag naar jouw verhalen en opmerkingen. Zelfs als je het met woorden niet kunt uitdrukken, dan geniet je mee van onze reis. Ik zie het aan je ogen, de twinkeling die alles zegt.

Samen op reis. Aan tafel, achter de koffie. Hoe leuk is dat!

Poep en zo (2)

‘Ik moet bevallen, ik moet bevallen’ riep ze ineens uit, terwijl we haar aan het verzorgen waren. Ze was in paniek, maar wij bleven kalm en we moesten er ook wel een beetje om glimlachen. Bewoonster van negentig jaar, die het uitroept dat ze moet bevallen. ‘Pers maar’ zei ik. Dat leek me logischer dan te zeggen dat ze niet meer bevallen kon. Dus perste ze. Met dat de ontlasting er was, werd mevrouw rustiger en was het goed.

Foto gemaakt door Diane Oelen

Het is trouwens niet alleen maar ‘Poep en zo‘ in de zorg. Het is er wel. Ik kan het netjes defecatie noemen (‘def’ zoals wij het vaak noemen) of ontlasting, maar bij poep is het voor iedereen duidelijk. Poepen doen we allemaal. Praten over poep doen we normaal gesproken niet zo snel. Zeker niet tijdens het eten of koffiedrinken. Alhoewel…..

Vanmiddag hebben we er als collega’s uitgebreid over gesproken, zo na de overdracht in het geklets dat er nog was. We zaten op het het balkon en bespraken de types ontlasting. Wil je weten of het defecatiepatroon optimaal is, moet je dit bijhouden in je rapportage. Je kijkt niet alleen naar de hoeveelheid (weinig, normaal, veel), maar ook naar het type. Zo is er bij type 1 sprake van losse harde keutels en vertelt type 7 je dat je de eventueel voorgeschreven medicatie voor de stoelgang wel mag overslaan die dag. Bij type 7 is het namelijk heel vloeibaar.

Foto gemaakt door Diane Oelen

Als beelddenker zie ik er graag een plaatje bij en laat dat er nou ook zijn. Een poster waar al die types in beeld zijn gebracht. Daar keken we als collega’s geamuseerd naar en we lazen hardop voor wat er stond: ‘Als een worst, maar met barstjes aan de buitenkant‘ en ‘zachte en papperige delen met niet definieerbare randen…..’

Verderop zat een bewoner en naast hem was net zijn vrouw gaan zitten. Ze keek ons verbaasd aan, terwijl de koffie voor haar stond. We hebben haar netjes uitgelegd waar we het over hadden. Ze kon er gelukkig wel om lachen.

Als zorgverleners zijn we gewend aan poep, ongeacht het type. Nee, het is echt niet altijd een pretje, maar het hoort er gewoon bij. Dat is voor naasten natuurlijk niet zo, laat staan voor de bewoners zelf. Laatst sprak ik er met een collega uitgebreid over. Er zijn zoveel dingen die we soms onbewust doen, omdat we het zo vanzelfsprekend vinden. Als voorbeeld kwam de toiletgang ter sprake. Hoe vaak sluipt het er niet in dat je een bewoner op het toilet helpt en dat je ondertussen de kleren voor de volgende dag klaar legt of het gebit alvast poetst aan de wastafel. Met de rug naar de bewoner toe, maar toch….

Foto gemaakt door Diane Oelen

Zou je dat zelf prettig vinden?

We kwamen beide tot de conclusie dat we het gênant zouden vinden. Op het toilet wil je privacy. Niet alleen om de geluiden en de geur. Het is een moment waar we anderen niet naast ons willen hebben. Juist bij bewoners met dementie, is het zó belangrijk dat jij je inleeft in de beleving van de ander. Ook als het om de toiletgang gaat. ‘Hoe zou ik dat zelf willen?’ en het antwoord weet ik wel. Dan wil ik dat de zorgverlener weg gaat, mij de ruimte geeft en de rust om op het toilet te doen wat ik moet doen zonder het gevoel te hebben dat de zorgverlener ongeduldig aan het wachten is. Het sluipt er zomaar in en het is soms zo logisch dat het gaat zoals het gaat. Ik hoor het mezelf ook zo vaak vragen: ‘Bent u klaar?’, maar hoeveel tijd en rust gaf ik mijn bewoner eigenlijk?

Poepen is kwetsbaar. Poep is kwetsbaar. We staan er als zorgverleners letterlijk met de neus bovenop. Met onze professionele blik kijken we naar vorm, kleur, hoeveelheid. Dat doen we bijna automatisch en we rapporteren wat af als het daarover gaat. Tegelijk is het belangrijk om je bewust te blijven van de kwetsbaarheid. Van het intieme dat er bij komt kijken, de schaamte en het ongemak. Ongeacht wie je voor je hebt en hoe zorgafhankelijk iemand ook is, die kwetsbaarheid is er altijd.

De poster met type poep hebben we als collega’s vanmiddag volop bestudeerd. ‘Ik hang het wel naast de koelkast, boven ons bureau zei mijn collega. ‘Handig voor als je aan het rapporteren bent’ en dat is het zeker. Dan kan je zo nu en dan even spieken: welk type was het ook alweer?

‘Liever niet naast de koelkast, niet te zichtbaar’, zeiden we tegen haar. Poep blijft toch iets…nou ja, je begrijpt het wel. Niet iedereen wil al die soorten drollen zien, terwijl hij/zij geniet van een kopje koffie met een plakje koek.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag