Zeurzak

Ik was de hele morgen met extra taken bezig geweest en at mijn broodje bij mijn collega, de stagiaire en de bewoners mee op de groep. Dat was natuurlijk erg gezellig. Kleinschalig wonen heeft als nadeel dat je je eigen teamgenoten weinig spreekt. Dus ja…

We kregen het over bladderen. ‘Wat is bladderen?’ vroeg de stagiaire. Dat legden we uit. ‘Met een soort van echografie, een klein apparaat, kijk je hoeveel urine iemand in de blaas heeft. Dat doe je door dit apparaat op de buik, op de plaats van de blaas, te plaatsen.’

Onze leergierige stagiaire wilde ook wel weten waar dat dan voor was. ‘Nou, dat doe je om te kijken of iemand bijvoorbeeld wel goed uit plast, of er geen urine achterblijft….’ en ondertussen aten wij smakelijk ons broodje knakworst op.

De bewoners waren aandachtig aan het meeluisteren. Het was natuurlijk niet een heel persoonsgericht gesprek dat aansloot bij de beleving van onze bewoners. Het sloop er even tussendoor. Soms heb je dat.

Maar een bewoonster had goed geluisterd. Terwijl we het al over andere onderwerpen hadden, keek zij de stagiaire aan. ‘ Zeg’ moet ik ook ge….nou je weet wel worden?’ ‘Gebladderd?’ vroeg de stagiaire. Ja, dat bedoelde ze inderdaad. ‘Dat hoeft alleen maar als je klachten hebt’ legde ze rustig uit. ‘Heb je klachten? Er is toch niets?’ vroeg ze nog even door. ‘Ach nee’ zei de bewoonster ‘het is de zeurzak maar waar ik last van heb.’

Het werd abrupt stil aan tafel. Mijn mes liet ik rusten op het bord en we keken haar allemaal aan. Toen moesten we toch wel heel hard lachen. Dat vrouwtje, meestal zo gesloten. Stil genietend van verhalen, bescheiden op haar manier. ‘Het is de zeurzak maar’ het klonk zo komisch uit haar mond. Zo echt en oprecht. Ze lachte met ons mee. Een twinkeling in haar ogen, beetje ondeugend. Dat had ze toch maar even gezegd!

Zo zie je maar, betrek bewoners in je gesprekken. Ze horen je wel en ze praten mee. Juist in de zorg aan bewoners met dementie, waar herhaling van woorden en zinnen aan de orde van de dag zijn, is het zo mooi als je ineens verrast wordt. Hoe leuk is dat!

Een mooi moment tijdens de lunch. Dat allemaal om een zeurzak!

Zing maar voor mij!

Wat een gezellige spanning was er, de ochtend dat Sinterklaas met zijn pieten op de groep zou komen. Elk jaar is dat weer een gezellige bende. Soms moet dat kunnen, ook bij mensen met dementie.

Met extra inzet hadden we de bewoners om half tien in de woonkamer zitten. De ballen voor de soep waren gedraaid, de soep pruttelde al op de kookplaat. Sinterklaas wordt gevierd met familie erbij. Dus zijn er hapjes ingeslagen, soep en broodjes voor tussen de middag.

Sinterklaasje kom je maar binnen….’ ze zingen bijna allemaal mee. Vol verwachting stralen de ogen en het woord ‘verkneukelen’ doet recht aan wat ik bij menig bewoner van het gezicht denk af te lezen.

Sinterklaas op de groep, op een stoel in het middelpunt. Daarom heen zitten wij. Personeel, familie, bewoners zelf. Het tovert een glimlach op de gezichten en ook een beetje spanning. Eén voor één mogen ze bij Sinterklaas komen. Ieder ontvangt een persoonlijk woordje.

Ik zie ze daar zitten. Bewoners van rond de negentig, die als een kind zo blij en met diep respect voor Sinterklaas voor hem zitten. Vol verwachting luisteren en het cadeautje in ontvangst nemen en uitpakken. Zelfs van de bewoner waar je het niet van verwacht, is de glimlach te zien en zie je de schittering in de ogen.

Dat doen herkenbare beelden en plaatjes. Dat raakt aan beleving en gevoel. Het mag dan even hard werken zijn om ze allemaal op tijd uit bed te krijgen en het geeft onrust na de tijd, maar dat neemt niet weg dat deze ochtend, met Sinterklaas, met familie, heel waardevol is.

Het was mooi om te zien hoe iedere bewoner op een eigen manier reageerde. Met een diepe knuffel aan de Sint, maar ook met afwachting en zelfs met een eigen wil en besef dat je niet meer kind bent en ook zelf wel wat te vertellen hebt. Zelfs aan Sinterklaas!

‘U kunt mooi zingen! Zingt u een liedje voor mij?’ vroeg Sinterklaas. ‘Nou’ en ze keek er een tikkeltje uitdagend bij ‘zingt u maar eens een liedje voor mij!’

Dat deed hij en wij zongen gezellig mee.

‘Zuster Klivia, Livia…’

‘Wij zijn familie van elkaar’ haar ogen stralen als ze dit tegen me zegt. Ik ontmoet haar in de gang, als mijn late dienst begint. Het is het eerste dat ze tegen me zegt. ‘Zijn wij familie?’ vraag ik haar. ‘Ja, wij zijn ver familie van elkaar’ en ze kijkt er heel gelukkig bij. Dat vind ik dan wel fijn. Ik laat het verder rusten.

De week daarna zijn Iris en Marin vrij van school. Een hele dag en ik heb een vroege dienst. Daar had ik natuurlijk weer geen rekening mee gehouden. Marin vindt het wel leuk om ’s middags bij mij op de groep te komen. Eerst wat onwennig, maar uiteindelijk helpt ze mee met de koffie of gaat ze in een hoekje zitten lezen. Deze middag helpt ze mee bij de bingo. Ze helpt een mevrouw met het zoeken van de getallen.

uniform (3)

Als ze op de groep komt, vertel ik de bewoners dat dit mijn dochter is. Dat is interessant en alle hoofden draaien zich naar haar toe. ‘Oh dan is dat mijn achternichtje!’ zegt mevrouw enthousiast en ze kijkt me wederom heel gelukkig aan. Nu herinner ik me ineens weer dat ze laatst zo blij was dat we familie van elkaar bleken te zijn. Ik ben nu wel benieuwd waar ze dat ineens vandaan haalt.

Weer een week later vraagt ze hoe ik ook alweer heet. ‘Amelia, Livia, Klivia…’ somt ze op. ‘Ik heet Lydia, maar Klivia is ook prima hoor’ zeg ik lachend. ‘Mijn moeder noemt me ook wel eens zuster Klivia’ voeg ik er aan toe. De hele dag luisterde ik dus braaf naar de naam ‘Klivia’. Dat had ze goed onthouden.

Als deze week de dochter op bezoek komt, wil ik toch eens vragen waarom mevrouw denkt dat ik familie ben. Nieuwsgierig als ik ben, dat snap je. Dochter begrijpt het wel. Moeder heeft een achterkleindochter, haar kleindochter, die Livia heet. Toen zij geboren werd en ze aan haar moeder vertelde wat de naam was, had ze meteen gezegd: ‘zo heet een zuster ook!’ Ze had de namen door elkaar gehaald, Lydia en Livia. Daarmee was ik als naam verbonden aan die van haar telg en vandaar dat ik bijna een plekje kreeg in de stamboom.

stamboom

Gisteravond zaten we aan de koffie met de bewoners. Mevrouw zat tegenover me. ‘Lydia heet jij’ zei ze terwijl ze me in de ogen keek. ‘Livia, Lydia…’ ze was het voor zichzelf aan het herhalen. ‘We waren bijna familie he?’ zei ik tegen haar. ‘Bijna wel!’ antwoordde ze met een twinkeling in haar ogen. ‘Nou, je zult er maar zo één in je familie hebben’ zei ze plagend en ze keek de andere bewoners veelbetekenend aan. Daar moest ik erg om lachen. ‘Dan was ik vast het zwarte schaapje’ flapte ik eruit. ‘Oh nee’, zei ze ineens heel serieus ‘dat zeker niet!’

(Geschreven: 3 mei 2019)

Beste André

Beste Andre,

Hoogst ongebruikelijk dat ik een blog naar iemand persoonlijk schrijf. Mijn collega opperde het en ik vond het wel een leuk idee. We hadden namelijk een stagiaire die totaal niet wist wie jij was. Daar waren wij als doorgewinterde Andre Rieu luisteraars uiteraard erg verbaasd over. Wie kent Andre Rieu nou niet?

Niet dat we ooit naar een optreden van jou zijn geweest en ik denk dat ik dat ook niet snel zal gaan doen. Dat is niet lelijk bedoeld. Volgens mij ben je een erg vriendelijke man. Het is alleen zo dat ik iets te vaak naar je muziek luister. Alle liederen van Strauss herken ik uit duizenden en dat allemaal door jouw muziek. Toen deze week het carillon van het gemeentehuis ook een ‘Straussje’ ten gehore bracht, gingen mijn haren rechtovereind staan. Ik had namelijk een vrije dag en muziek van Andre Rieu past daar niet in.

kopje (2)

Andre, op veel momenten ben ik wel heel blij met je. De bewoners van onze afdeling (afdeling voor bewoners met dementie) zijn dol op je optredens. Ze genieten van je vioolspel, van het orkest en de mooie jurken die de dames dragen. Ze zijn elke keer weer verbaasd over de hoeveelheid mensen die er te zien zijn op het Vrijthof en ze manen de anderen tot stilte als ze teveel geluid maken.

De dvd’s van Andre Rieu worden grijs gedraaid hier! We proberen ook wel andere dvd’s, maar niets haalt het bij jouw zwierige en uitgelaten concerten. Het is een feest op zich en onze bewoners genieten daarvan mee. Hoewel ik buiten mijn werk om geen ‘Andre Rieu’ kan horen, ben ik blij met je muziek. In plaats van te mopperen, zou een ‘dank je wel’ dus wel op zijn plaats zijn.

Jouw muziek brengt heel vaak rust in de groep van bewoners, daar waar het soms ook heel onrustig kan zijn. Dat momentje van rust, van met elkaar kijken en luisteren achter een kopje thee of koffie, dat zijn genietmomentjes. Ook voor ons als zorgverleners.

Ik vroeg het me af of je dat weet?

Ik zie op tv de pleinen vol staan met mensen die naar jou luisteren. Fans. Weet je wel dat er een grote groep mensen is die ook fan van je zijn? Ze kopen geen kaartje voor een optreden, ze staan niet op dat plein. Als je op de groep een kop koffie zou komen drinken (altijd welkom), herkennen ze je waarschijnlijk niet.

En toch…

Ik denk, ik weet wel zeker, dat jouw grootste fans onze bewoners zijn!

(Deze brief schreef ik 25 januari 2019 aan André Rieu. Onze bewoners zijn echt fan van zijn muziek).