‘Wie ben je, wat is je verhaal?’

Als ik mevrouw verzorgde, moesten ook haar haren worden gedaan. Dat moest in een paar draaien in een wrong, schuifjes erin en vervolgens een speld. Daar heb ik een aantal keren op moeten oefenen, zodat het niet na een uur weer uit elkaar viel.

Ze lag op een kamer van vier bewoners. Het was mijn eerste stage, mijn eerste kennismaking met het werken in de zorg. Ik kwam op een afdeling voor mensen met dementie, diep verzonken dementie. Zij lag daar ook, met haar mooie broze grijze haren. Ze keek me nooit echt aan. Het leek wel of ze dwars door me heen keen. Heel soms kwamen er wat klanken, maar woorden sprak ze niet. ‘Wie ben je, wat is je verhaal?’ dat vroeg ik me vaak af. ‘Wie ben jij, bewoonster op een kamer van vier.’

Als er koormuziek werd opgezet, leefde mevrouw op. Haar handen gingen omhoog en ze begon te wiegen in haar stoel. Haar ogen werden groot en haar klanken schoten een octaaf omhoog. In haar hart zong ze waarschijnlijk het hoogste lied, zong ze zo de psalmen mee. Ik keek daar met verwondering naar en dan kwam nog meer die vraag naar boven: ‘Wie ben jij? Wat is jouw verhaal?’

Veel persoonlijke spullen had mevrouw niet. Ze had alleen een prikbord boven haar bed waar vele foto’s zichtbaar waren. Daar zag ik haar, als meisje en als jonge vrouw. Ze straalde kracht uit in haar houding. Daar stond ze op in een donkere jurk of juist een vrolijke met bloemetjesmotief, haar haren keurig opgestoken. Lachend, samen met anderen en soms ook alleen. Beelden uit het verleden, in zwartwit en sepia.

Ik heb daar vaak naar gekeken. Terloops, of even wat langer. Ik heb de verhalen gehoord van collega’s, kleine flarden van haar leven. Ik zag het kort en bondig beschreven in het verslag in haar dossier. Alles bij elkaar kwam haar bestaan meer tot leven. Werd ze meer dan een bewoonster in een verzonken dementie, onbereikbaar voor ons. Zwartwit en sepia kreeg steeds meer kleur.

Ze werd iemand die ik als mens nooit vergeten ben en die altijd bij me bovenkomt als ik de vraag stel aan mezelf of aan anderen: ‘Wie is je bewoner, wat is zijn verhaal?’

Tien weken duurde mijn stage in het verpleeghuis. Het leerde mij de basis voor hoe je zorg geeft. Hoe je wast, hoe je aankleedt, hoe je een bed opmaakt, hoe je bewoners eten geeft. Het heeft vooral ook de basis gelegd in het kijken naar de mens achter de dementie. Haar haren uitborstelen, werd meer dan een dagelijks terugkerende handeling. Het werd iets wat bij haar hoorde, waar ze aandacht aan besteedde en wat ik met mijn handen voor haar overnam. Sierlijke wrong, schuifjes erin en een speld. Ik zie het nog zo voor me, met mijn ogen dicht. Mooie bewoonster, op een kamer van vier.

Zorgend

Twee poppen liggen op haar arm. Een jongen en een meisje. Levensecht bijna. Ze wiegt ze op haar arm. Het jongetje is kaal, althans zo lijkt het. Het meisje heeft echter veel hoofdhaar. Aaibaar. Mevrouw streelt geregeld met haar vingers erover heen en strijkt vervolgens heel lichtjes over de blosjes op de wangen van het meisje.

Foto: A. Bruinsma

‘Heeft ze dat van haar moeder, die dikke bos haar?’ vraag ik aan mevrouw. ‘Nee’ zegt ze stellig ‘moeder had dat niet’. Ze knuffelt de beide poppen en ze zucht ook. Twee van die poppen op je arm zijn best zwaar. ‘Zullen we samen zingen voor ze?’ vraag ik en dan zetten we samen ‘slaap kindje slaap’ in. De bewoonster naast me kijkt me verbaasd aan, terwijl het ontbijt nog voor haar op tafel staat. Dan lacht ze toch en ze neuriet zachtjes mee.

Ik zie haar meestal lopen. Heen en weer, buiten in de tuin. Ze probeert of het tuinhek open kan, maar het tuinhek zit dicht. Dan loopt ze weer haar vaste rondje, tot ze ons weer glimlachend passeert en een volgende ronde begint.

Ze wil graag zorgen. Ze schenkt de koffie in, maar wél op haar manier. Kopje op een schotel waar een lepeltje op drijft. Ze wast de borden af en als je niet uitkijkt staat daarna alles weliswaar netjes in de kast, maar plakken de aardappelresten er nog aan. De planten krijgen volop water, zelfs de kunstbloemen komen niets tekort in deze woning. Ze werpt je haar zakdoek toe als je morst op tafel en ze buigt zich ongevraagd over je heen, om je kraagje glad te strijken.

In haar zorgen zit haar rust. Zo lijkt het. Alsof ze er dan grip op heeft. In het niets doen, zit een leegte waar ze geen vat op heeft. Het ritme van de dag, die heeft ze niet zelf meer in de hand. Sterker nog, de tijd deelt ze met anderen. Die prikkelen haar om te zorgen, die wijzen het vaak ook af. Zo dwaalt ze rondjes, in haar gedachten en in de stappen die ze zet.

Nu zit ze echter. Ze kan geen koffie schenken, ze kan de tafel niet afnemen, ze kan haar medebewoonster niet wakker schudden, die dommelend naast haar zit. Op haar arm liggen twee poppen en ze kiest er zelf voor om te blijven zitten. Voor de poppen op haar arm, die slapend op haar arm lijken te liggen. Voor even is de rust niet ongrijpbaar, voor even heeft de rust een plekje in haar gevoel.

Zo rustig zittend. Zo zorgend. Zo in haar element.
Mooi moment.

Tube zinkzalf

‘Wil je mijn zak insmeren?’ vraagt een patiënt terwijl hij in zijn witte ondergoed op de rand van zijn bed zit. ‘Het voelt allemaal zo schraal aan’ en hij reikt mij de tube met zinkzalf aan. Ik, 22 jaar en net afgestudeerd, trek handschoenen aan en neem de tube zalf van hem over. Terwijl op mijn vingertop een kloddertje zalf klaar ligt om uitgesmeerd te worden en meneer met ontbloot onderlichaam voor mij staat, word ik me ineens ergens bewust van. ‘Kan u dat eigenlijk niet zelf?’ vraag ik hem terwijl ik al begin te smeren. Meneer lacht hardop: ‘Ik vind het wel fijn als jij dat doet!’

Ik denk dat veel zorgverleners soortgelijke verhalen kunnen vertellen. Verhalen waar je soms wel om kan lachen en verhalen waar je echt wel merkt dat het je collega veel heeft gedaan. Mijn genoemde situatie, daar voelde ik me op dat moment naïef en dom bij. Ik had daar als verpleegkundige behulpzaam willen zijn en had totaal niet in de gaten dat er achter zijn vraag een andere wens schuil ging. Daar heb ik wel van geleerd en ik kan er achteraf ook wel om lachen.

Ik zie me daar nog zo staan, met die handschoen aan en die klodder zalf balancerend op mijn vinger. Zoals ik me ook zie staan bij dat bed in het het verpleeghuis. Mijn eerste stage, de verwachtingen waren hoog op de afdeling. HBO-V! Maar ik had nog nooit iemand in het echt hoeven wassen en daar werd ik ineens met waskommen en al bij het bed van een bewoner geplaatst. Een man! Het was druk op de afdeling, ze hadden geen tijd voor mij. Dus ja…Het is heus wel gelukt, maar ik zal dat gevoel van ongemak nooit vergeten.

Het is fijn als je stagiaires daarin begeleidt. ‘Heb je al eens iemand gewassen?’ en dan heb je een gesprek met elkaar daarover. Gun en geef ze de tijd om te leren om iemand te wassen. Vraag door hoe dat gaat en hoe de stagiaire dat ervaart. Dan blijkt de één het niet erg te vinden, maar soms is het ook wel wennen voor de stagiaire. Is het vreemd en voelt het intiem.

Dan neem je de stagiaire ook mee in hoe jij kan bijdragen in de zorg voor privacy van de bewoner. Waar zij niet altijd zelf hun grenzen kunnen bewaken of voor zichzelf kunnen opkomen, kan jij als zorgverlener wel letten op hoe je met hun kwetsbaarheid omgaat. Dat zit in simpele dingen als aandacht hebben voor een badkamerdeur die dicht is als jij ze helpt onder de douche. In het voorkomen dat een collega de kamer binnenkomt, terwijl jij de bewoner wast. Het overkomt ons allemaal wel eens, dat je wil vragen of je je collega nog kan helpen, om het hoekje van de deur kijkt en de bewoner net verdroogd wordt. Of dat je samen iemand wast, bijpraat over het afgelopen weekend. Pratend met elkaar was je de bewoner, die daar zo kwetsbaar tussen jullie in ligt. Het overkomt je wel eens, maar het is wel goed om je daar zo nu en dan bewust van te zijn.

Hoe zou ik dat zelf ervaren?

Je hebt ook je eigen grenzen in de zorg naar bewoners toe. Dat is niet altijd zo makkelijk als het lijkt. Want een bewoner met dementie die jou wel eens op de billen slaat….kan je hem daar eigenlijk wel op aanspreken? Helpt dat? Kan je dat gedrag nog veranderen? Wat doe je als een bewoner geregeld porno kijkt, terwijl jij de kamer binnenkomt en de steunkous uit wil trekken? Het is fijn als je dat binnen je team kan bespreken. Wat doet het met je? Raakt het je en wat kunnen we er als team mee? Moeten we er iets mee? Hoe ga je om met bewoners die jou spontaan een knuffel geven of zomaar een zoen op de wang. Vind je dat erg, hoort dat erbij als je bijvoorbeeld werkt met bewoners met dementie? Weet je van jezelf en van je collega hoe je daarin staat?

Maak het bespreekbaar.

Ach ja, zo is er nog heel veel te zeggen hierover. Als ik er met collega’s over praat, hebben we er mooie gesprekken over. Dan moet ik toch altijd weer denken aan die patiënt die me vroeg of ik zijn zak wilde insmeren. ‘Ik vind het wel fijn als jij dat doet’ ik hoor het hem nog zo zeggen. Mijn collega lacht als ik het haar vertel. ‘Heb je het wel ingesmeerd?’ vraagt ze. Nu moet ik ook lachen. ‘Ja, bleu als ik was, deed ik dat maar. Ik was toch al bezig. ‘

Briefje voor mij!

‘Weer geen briefje voor mij’ zei ik lachend en ik keek naar alle briefjes op het prikbord. In de tijd dat ik stage liep, in dit geval binnen de psychiatrie, communiceerde je nog niet met de mail of via de mobiele telefoon. Wilde je iets doorgeven aan je collega, bijvoorbeeld om een dienst te ruilen, schreef je een briefje en prikte die op het prikbord. Zo hingen er geregeld briefjes met diverse voornamen aan de wand.

Als stagiaire maak je een periode onderdeel uit van een team. Ik kijk terug op leuke en leerzame stages, maar ik weet ook nog goed wat minder prettig liep. Zo was mijn allereerste stage in het verpleeghuis. Ik kwam op een afdeling terecht met bewoners in een vergevorderd stadium van dementie. Dat vond ik, als meisje van 19 jaar, confronterend. Hoewel verwachtingen uitgesproken waren, ging de begeleider er van uit dat ik al heel veel kon. Ik volgde immers de opleiding HBO-v. Ik kreeg een washand in mijn hand gedrukt en werd aan het bed van een man neergezet. Dan is het oefenen met een pop tijdens de opleiding toch écht wel anders dan de praktijk.

Een mooie ervaring was een moment tijdens mijn stage in het ziekenhuis, toen ik voor het eerst mocht meehelpen bij het afleggen van een overleden patiënt. ‘Kijk eerst maar en voel maar, voel maar hoe het voelt als iemand overleden is’ zei mijn begeleider en voorzichtig raakte ik de arm van de vrouw aan. Het was voor mij de eerste keer dat ik zo dichtbij een overleden persoon stond. Ik neem die ervaring nog altijd mee naar de begeleiding van stagiaires. ‘Voel maar eerst, kijk maar rustig, neem de tijd.’

Het is fijn als je als stagiaire ervaart dat je tijdens je stage onderdeel bent van het team waar je werkt. Kort na mijn stage op de ambulance trouwde ik. Toen we bij het stadhuis kwamen, stond daar een ambulance met loeiende sirenes. Ze hadden een rit zo geregeld dat twee collega’s vanuit Zwolle ook in Hengelo ons konden feliciteren. Dat vond ik bijzonder en ontzettend leuk.

Stagiaires zijn waardevol. Ze zijn je nieuwe collega’s en juist voor de zorg zo ontzettend belangrijk. Het sluipt er door de drukte zomaar in dat ze meewerken, terwijl ze er vooral zijn om te leren. Om kritische vragen te stellen, om je te laten nadenken over waarom je je werk zo doet zoals je het doet. Stagiaires dagen je uit om je werk anders aan te pakken, om open te staan voor dat wat zij leren tijdens de opleiding. Tegelijk is het mooi om ze te motiveren en te enthousiasmeren voor het werken in de zorg. De verdieping daarin mee te geven en de rugtas vol ervaringen te vullen. Om herinneringen mee te geven die ze weer kunnen overdragen als ze zelf stagiaires gaan begeleiden.

Zelf wilde ik nooit in een verpleeghuis gaan werken, puur door mijn minder prettige ervaringen tijdens mijn eigen stage in het verpleeghuis. Het is goed gekomen. Ik werk inmiddels in het verpleeghuis en ik heb veel affiniteit gekregen met de zorg aan bewoners met dementie. Ook veel affiniteit met de palliatieve zorg, waarbij de basis is gelegd bij het moment aan dat bed in het ziekenhuis.

Ook met het briefje is het goed gekomen. Tijdens een patiëntenbespreking in het kantoor zit ik tegenover twee medestagiaires. Hoewel het overleg heel serieus is, zitten de beide jongens alsmaar wat te glimlachen. Ze hebben duidelijk ergens heel veel plezier om. Ik voel me wat ongemakkelijk, omdat ik maar niet begrijp waarom ze zo moeten lachen. Totdat mijn blik ineens valt op het prikbord verderop en ik tot in mijn hals rood kleur. Nu beginnen de jongens nog meer te lachen en ik lach mee. Op het prikbord hangen, net als anders, heel veel briefjes. Mijn naam hangt er tussen. Niet op één briefje, nee op alle briefjes staat geschreven: ‘Lydia’.

Lasergamen in het verpleeghuis

Het was superdruk in mijn nachtdienst. Ik heb wat afgedraafd. Ten eerste lag er een bewoner op sterven. Om haar bed stonden vijf familieleden en ze waren erg luidruchtig aanwezig. Naar elkaar, naar de bewoner en vooral ook naar mij. Ze kwamen steeds weer de gang op lopen om al schreeuwend een vraag te stellen. Ik probeerde heel geduldig te blijven, maar ik was druk bezig om een andere bewoner te zoeken die we kwijt waren.

Of dat nog niet genoeg was, werd ik door een collega er op aangesproken dat ik vergeten was de medicatie te delen. Alle bewoners hadden die dag geen medicatie gehad. Dat vond ik onvoorstelbaar. Hoe had ik dat kunnen vergeten? Terwijl ik daarover nadacht bleef de familie vragen stellen, had ik mijn bewoner nog niet terug en stond een andere collega in de gang en weigerde me te helpen. Ze was aan het lasergamen met de overige bewoners. Inderdaad, ze stond daar stoer met haar geweer in de hand en ik maar rondrennen. Die medicatie…

…toen werd ik wakker. Ik mijmerde nog na en voelde me intens schuldig, omdat ik dat vergeten was. Totdat ik me realiseerde dat het allemaal maar een droom was. Gelukkig maar!

Ik schrijf graag over de parels in de zorg, er zijn al genoeg negatieve geluiden over de zorg. Zeker de verpleeghuiszorg wordt soms weergegeven op een manier die ik niet herken in de praktijk. Uiteraard moet je niet de ogen sluiten voor wat anders kan en beter en zijn de tekorten in personeel voelbaar. Dat neemt niet weg dat er veel goed gaat en dat verzorgenden en verpleegkundigen met veel liefde en vanuit hun professie het werk uitvoeren.

Eerlijk is eerlijk, er gaat ook wel eens wat fout. Het blijft mensenwerk. Dat gevoel waarmee ik wakker werd, is een herkenbaar gevoel. Niet zo overdreven dat ik een hele medicatieronde ben vergeten, maar je merkt wel eens dat je tekort bent geschoten. Het overkomt iedereen in de zorg wel eens. Dat is geen fijn gevoel.

Los van grote fouten die gemaakt worden, die niet horen, kan het ook in het klein zijn dat er iets niet goed gaat. Ik denk dat het herkenbaar is dat je een medicatie op de medicatielijst vergeet af te tekenen, dat je een tablet vergeet te geven. Dat is niet goed, maar het gebeurt. Als je nagaat waar dat aan ligt, is het vaak dat je werd afgeleid, of je liet afleiden.

In mijn droom stond er een hele horde familie naar me te schreeuwen en vragen te stellen. Gelukkig is dat in mijn geval niet de realiteit. Je zou soms wel meer willen en meer kunnen doen voor familie. Je probeert de rust en de tijd te hebben om naasten bij te staan, juist bij een sterfbed. Je probeert hartelijk te zijn, gastvrij. Toch, in de drukte van alles waar je aan moet denken, overkomt het je wel eens dat familie dat anders heeft ervaren.

Ja, laten we wel wezen, we zijn ook maar mensen. Je neemt jezelf altijd mee naar het werk. Op een afdeling met bewoners met dementie kom je daarin jezelf tegen. Als jij gespannen en druk bent in je hoofd, voelt een bewoner dat haarfijn aan. Met jouw rust, kan een bewoner ook tot rust komen. Als je daar bewust van bent, loop je soms even een andere kant op, tel je tot tien om vervolgens weer naar de bewoner te gaan die voor de zevende keer dezelfde vragen aan je stelt.

Herkenbaar?

In een scholing over dementie spraken we hierover met elkaar als team. Toen we dat uitspraken naar elkaar, luchtte dat op. Te merken dat je collega’s daar ook wel eens tegenaan lopen, maakte minder onzeker. Het lag ineens open op tafel en het mocht er zijn.

Het is mooi als je in een team werkt waar die veiligheid er is. Als je kan aangeven waar je tegenaan loopt en wat je graag wil leren. Als een collega je kan aanspreken op iets, zonder dat jij je aangevallen of afgewezen voelt. Tegelijk ook ruimte is om elkaars kwaliteiten te herkennen en te benoemen.

Gelukkig was mijn droom maar een droom. Alhoewel….lasergamen met bewoners in de gangen van het verpleeghuis. Wat een leuke activiteit zal dat zijn!

Kijk eens!

‘Koude handen, warme liefde’ het is één van de uitdrukkingen die in mijn hoofd gebeiteld zit. Als ik de uitdrukking hoor, zie ik meteen de bewoner erbij die dit altijd zegt. Zo heb ik al heel wat zinnen in mijn hoofd, die voorheen onbekend voor me waren, maar die ik nu zo meedreun.

‘Kijk eens naar de poppetjes van mijn ogen, kijk eens naar het kuiltje in mijn kin’ we zingen het luidkeels mee. Dat ik protestants ben, maakt het wat makkelijker om ook de christelijke liederen mee te zingen. ‘Er ruist langs de wolken…’ ik zing het samen met mevrouw en ze heeft tranen in haar ogen staan. ‘Mooi he?’ zeg ik en ze knikt. Rode blosjes op haar wangen.

Op muzikaal gebied heb ik inmiddels al heel wat bijgeleerd en associaties opgebouwd. Zo schreef ik al eens een blog over Andre Rieu. Hoe mooi de muziek ook is, maar bij het horen ervan ben ik meteen in de huiskamer van de woning waar ik werk. Ik zie de gezichten van de bewoners. Sommigen in zichzelf gekeerd en anderen wiegen mee op de muziek. Ze genieten.

Naast muziek, hoor ik ook verhalen. Bewoners kunnen smakelijk vertellen over wat ze vroeger kookten en vooral hoe. Toen ik ooit baklever moest bakken en dat nog nooit eerder gedaan had, zocht ik niet op internet, maar vroeg het aan een bewoonster. Haar gezicht begon te stralen, want baklever lustte ze heel graag. Toen ik plakken wilde snijden, wees ze me streng terecht. ‘Veel te dik!’ en dus sneed ik ze dunner.

Bewoners komen met verhalen. Vanuit hun wereld en hun verleden. Het kost even moeite om dat verhaal naar boven te krijgen, maar ik luister er graag naar. Of het om het werk van manufacturier of bakker gaat, de eerste liefde of om de vakanties in de Alpen. Het is mooi om die beelden te vangen en de mens achter de dementie te zien.

Het mooiste daaraan is dat de bewoner zelf er zo van gaat stralen. Zo vertelde een bewoner ooit vol passie hoe het werk in de slagerij was. Waar de andere bewoners bijna vol walging haar aanstaarden, deed zij voor hoe ze een varken ving. ‘Ik pakte ze zo bij het staartje beet…..’ en ze lachte er luidkeels bij. Ze was weer even terug in de slagerij en het gaf haar zoveel voldoening en blijdschap.

‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen….’ ik weet bij wie dat een glimlach op het gezicht kan toveren en bij wie de arm even omhoog gaat om mee te dirigeren. Dat leer je niet in je opleiding, maar dat leer je door te luisteren naar je bewoners en zelfs in het zwijgen de twinkeling te zien.

Gek op de zorg!

Je moet wel gek zijn om in de zorg te willen werken. Het is hard werken. Je moet voortdurend extra werken, omdat er tekorten zijn. Je staat er alleen voor, je rent de benen uit je lijf en aan het einde van de maand is je salaris een schijntje vergeleken bij wat andere bedrijfstakken verdienen. De ORT (onregelmatigheidstoeslag) is niets meer vergeleken bij vroeger. Leuk die 4% salarisverhoging, maar het is maar minimaal. Minister Hugo de Jonge moet maar eens een dagje meewerken, maar eens ervaren hoe het er echt aan toegaat. Dan….

…ja wat dan?

Ik ben het gemopper een beetje zat. Ik lees het op Facebook op een forum, als reactie op positieve berichten uit Den Haag, over extra geld, een salarisverhoging. Iedereen heeft commentaar, niemand zegt: ‘dank u wel!’

Ik weet niet of het voldoende is, ik denk dat de tekorten in de zorg ook echt een probleem zijn en ook serieus aangepakt moeten worden. Dat los je niet alleen op met salarisverhoging. Ja, het is hard werken en ook zwaar en je hebt niet altijd voldoende tijd om de zorg te geven die je eigenlijk wel zou willen geven. Maar maken we het werken in de zorg zelf niet onaantrekkelijk door zo te mopperen en te klagen? Je zal wel gek zijn om nog voor de zorg te kiezen, als je al die frustraties leest.

Mijn vak is een mooi vak. Ik mag met mijn hart en mijn handen zorgen voor mensen die heel kwetsbaar zijn. Ik mag met mijn verstand nadenken over hoe we processen beter kunnen laten verlopen, ik mag nadenken over kwaliteit van zorg. Ik mag rust geven aan verwarde bewoners, ik mag de structuur geven als ze dat zelf niet meer kunnen. Ik mag nabijheid bieden door mijn hand op de hand van de ander te leggen, een aai over de wang: ‘Je hoeft niet bang te zijn, ik ben er!’ Ik mag dat laatste stukje zorg bieden als het sterven heel dichtbij komt.

20181010_122324

Mijn vak is mooi en ik ben er trots op dat ik werk in de zorg!

Ik weet niet of mijn salaris en dat van al die collega’s van mij in verhouding staat met wat we daadwerkelijk doen. Ik vermoed van niet, maar ik heb me in al die jaren dat ik werkzaam ben in de zorg er nooit mee bezig gehouden of dat niet wat meer moet zijn. Ik denk misschien wel te vaak: ‘Lekker belangrijk.’ Misschien ben ik wel te makkelijk daarin en zou ik meer van die vechtlust moeten bezitten. De barricades op!!!

Ik ben het gemopper zat en stiekem denk ik wel eens: ‘Ga dan lekker wat anders doen als het alleen maar kommer en kwel is.’

Dat is niet eerlijk van me. Ook tussen de regels van het geklaag en gemopper en de verwijten in, lees ik de woorden van mensen die hart hebben voor de zorg. Die niets liever willen dan tijd en ruimte en aandacht geven aan hun bewoners en cliënten. Die hard rennen en extra diensten draaien om de zorg maar door te laten gaan. Daar wil je ook waardering voor. Soms in salaris, maar misschien wel meer door meer hulp op de afdeling en soms is het gewoon fijn en belangrijk om te horen dat je werk wordt gewaardeerd.

20181010_121737

Gisteravond zat ik aan tafel en was met een medebewoonster aan het boontjes doppen. Ze vertelde dat ze morgen naar huis ging. Ik vroeg door en ze vertelde me over thuis, flarden uit het verleden. Ze dopte niet zo snel, het ging in haar eigen tempo. ‘Het is wel een werkje’ zei ze ‘maar als we het samen doen is het wel heel gezellig.’Gezellig was het zeker. Als ik het alleen had gedaan was het echt sneller gegaan, maar ik nam de tijd. Dat is een beetje ‘mijn barricade’ opgaan. Laat je niet gek maken, wees creatief, neem ook gewoon eens de tijd!

Terwijl ze na afloop haar handen waste zei ze: ‘Ja, ik ga dan wel morgen naar huis, maar ik zal het hier ontzettend missen, ik heb het hier altijd zo goed gehad.’ Dat zijn de momenten, summier en klein, maar al die momenten bij elkaar maken het werk waardevol.

Vliegen, draven, zuchten, tot tien tellen, Zo gaat het vaak in de zorg, ik weet het. Maar kom op…zullen we nog wel trots blijven en zijn op ons vak?

(Geschreven: 10 oktober 2018)

Ik zorg voor jou!

‘Ik zorg voor jou’

Aan het begin van je leven, als je net geboren bent. Mijn handen die je pakken en je aan de borst leggen van je moeder. Ik baad je, ik wieg je als je huilt. Ik zwaai je uit als je in je maxi cosi bij je moeder op schoot het ziekenhuis verlaat. Trotse papa bij je.

Ik zorg voor je als je na een ongeval gewond op straat ligt of hulp nodig hebt na een hartaanval. Ik zorg voor je als je aan het infuus moet. Als je de injectie krijgt waar je zo tegenop ziet, de kuur waar je zo beroerd van wordt. Als jij je niet redden kan, was ik jou. Ik ondersteun je waar ik kan, ik praat met je. Wat hebben we samen soms mooie gesprekken.

20170512_134347

Ik zorg voor je, als je boos bent en bang. Als de wereld zo donker lijkt en de pijn van het verleden nog steeds het heden bepaalt. Dan mag je hier zijn, hier mogen stiltes vallen, mag je even tot jezelf komen. Hier zorg ik voor jou, als het thuis niet langer gaat.

Ik zorg voor je. Als je ouder bent, als de hulp meer wordt. Ik kleed je aan, ik kam je haren in model. Ik zit naast je als je ’s nachts de slaap niet vatten kan en maak een beker melk voor je warm. Als je geheugen flarden worden, als maskers afvallen en zelfs je eigen ik verdwaalt, dan pak ik je hand. En als je stervende bent, ben ik dichtbij. Ik zorg voor jou en je naasten.

Ik zorg voor je. Zoveel mensen die dat door hun vak mogen zeggen en denken. Werken in de zorg, is zorgen voor de ander. In soms hele kwetsbare situaties, op het randje van het leven en de dood. In alle drukte van het werk en negativiteit (het is niet alleen Poep en zo.) die er soms overheen hangt, is het wel een mooi beroep. Het is zorg verlenen en niet afgeremd worden door wie iemand is als persoon. Ras, religie, beroep of geaardheid, dat maakt niet uit. In de zorg is er altijd iemand die voor je klaar staat en laat zien en merken: ‘ik zorg voor jou!’

(Geschreven: 12 mei 2017)

Ik waardeer je

‘Ik waardeer je.’ Met die zin moedigt Actiz de medewerkers in verpleeghuizen vandaag aan. Als hart onder de riem naast alle negatieve geluiden die rond gaan in de actualiteit. Hebben we dat nodig? Nou misschien wel.

De zorg is een mooi vak. Ook de zorg die we bieden in verpleeghuizen. De liefdevolle zorg waar de politiek het graag over heeft, geeft een beetje een Florence Nightingale gevoel. Beetje te teder, gezien de dagelijkse realiteit. Zorgzaam zijn we natuurlijk wel, en een groot geduld is zeker een voordeel.

image

We mogen zorg leveren aan kwetsbare ouderen. Kwetsbaar in hun vermogen om zelfstandig te zijn. Kwetsbaar in hun naaktheid, in de broosheid, in de vergeetachtigheid. Ook kwetsbaar in het onbegrip, het niet begrijpen van de situatie en de omgeving waar ze zich in bevinden. Kwetsbaar in hun boosheid.

Op mijn afdeling met bewoners met dementie besef ik dat des te meer. Toevertrouwd aan jouw zorg, afhankelijk van handen van buitenaf. Dat vraagt om kwalitatief goede zorg, om liefdevolle zorg. Dat is zoveel meer dan alleen het volgen van protocollen, hoe waardevol ze ook zijn. Zoveel meer dan alleen het verschonen, de wisselligging en het omgaan met onbegrepen gedrag.

‘Ik waardeer je’ een mooie zin om vandaag te lezen op social media. Bedoeld voor medewerkers in de verpleeghuiszorg. Bedoeld als compliment, dus ik neem het dankbaar aan. ‘Ik waardeer je’ is ook een zin dat me aan het denken zet.

Kwaliteit en liefdevolle zorg kan niet zonder de waardering voor de ander. Naar de ander kijken en in die persoon een mens van waarde zien. ‘Ik waardeer je’ ook als je ‘mijn’ bewoner bent voor wie ik zorgen mag.

(Geschreven: 19 juli 2016 n.a.v. Actiz die de medewerkers een hart onder riem stak met de zin: ‘Ik waardeer je’)

Werken in de zorg (of bij de bakker)

‘Waarom wil je in de zorg werken?’ vroeg mijn begeleider tijdens een stage. Ik zei meteen:’omdat ik graag met mensen wil omgaan!’ Ik had beter wat langer kunnen nadenken, want mijn begeleider antwoordde direct: ‘ Dan kan je net zo goed bij de bakker achter de toonbank gaan staan.’

Ik heb het altijd onthouden. Het is een vraag geworden die ik zelf ook wel eens stel aan stagiaires. ‘Waarom wil je werken in de zorg?’

Mijn kinderen vragen het zich ook af. Als ze wel eens meegaan naar mijn werk, kijkt het ene kind de ogen uit, de ander vindt het maar vreemd en eng. Bewoners die steeds weer hetzelfde aan je vragen, die je aanraken, die amper kunnen praten, of bewoners die niet begrijpen waarom ze hier zijn. Verhalen over wonden, ontlasting en vage ziekten, zijn ‘not done ‘ volgens de meerderheid hier in huis. ‘Waarom wil jij werken in de zorg?’

Vandaag had ik een vroege dienst. We hielpen een bewoner. Puur afhankelijk van andere handen. Geen besef van tijd, geen lijn in de verhalen, geen mogelijkheid om de stappen zelf te zetten. Samen met een collega verzorgden we haar. ‘Wat moeten ze toch zonder ons?’ zei ze, zonder dat er sprake was van vragen om een schouderklop. Gewoon dat gevoel uitsprekend dat je wel eens overvalt als je de hulpeloosheid aantreft.

‘Zonder ons, moeten de kinderen zorgen’ zei ik. ‘Als die er dan niet zijn?’ vroeg mijn collega, ineens heel serieus. ‘Tja, dan zijn de buren aan de beurt’ zei ik maar. We zorgden samen verder.

Juist in het kwetsbare, wil ik zorgen. Waar lijden is, waar leven broos is en gebroken en waar gedachten vervagen. Waar de vragen zijn, de pijn, de twijfel, de kleinheid zomaar bovenkomt. Dat kan op heel veel manieren en op heel veel gebieden. Ik ben blij dag ik dat vorm mag geven in de zorg….en niet bij de bakker. Hoe leuk dat misschien ook is.

Ik pak haar hand, ik strijk de lakens glad. Het is eigenlijk niet de vraag waarom je wil werken in de zorg. Mijn vraag zou zijn: ‘Waarom niet?’

(Geschreven: 15 maart 2016)

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag