Pretoogjes met een traan

Hij loopt steeds naar de huiskamer. Het is midden in de nacht. In plaats van te slapen, loopt hij rond. Van zijn slaapkamer naar de woonkamer. De belsensor gaat regelmatig af en soms ligt hij in zijn bed, heft zijn hoofd op en wens ik hem welterusten.

De pieper gaat weer af en ik loop naar de gang. Daar zit hij in de huiskamer, een beker chocolademelk heeft hij ingeschonken en ernaast liggen drie speculaasjes opgestapeld. Hij kauwt gedachteloos en merkt me niet meteen op. In de stilte van de nacht, een bewoner die niet slapen kan.

‘Kan u niet slapen?’ vraag ik en hij knikt bevestigend. De chocolademelk drinkt hij op en ik vraag of ik met hem naar zijn kamer zal meelopen. Dat is goed en hij staat op. De drie speculaasjes leg ik op zijn rollator neer. Zo lopen we terug naar zijn kamer. Ik trek de lakens glad en hij gaat zitten. ‘Ach, kom even zitten, even praten’ en hij lacht er vriendelijk bij.

Daar zit ik dan, naast zijn bed op de rollator (ja, eerst de speculaasjes veilig op het nachtkastje neergelegd). ‘Ik moet alsmaar denken aan mijn vrouw, ik mis haar zo’ en hij wijst naar de foto op een kastje. We kijken er samen naar. ‘Wat is ze mooi!’ zeg ik en hij begint te lachen. Pretoogjes met een traan.

In de nachtdienst wil je dat je bewoners slapen, dat ze rustig zijn. ‘Ga maar lekker slapen, het is nog maar midden in de nacht!’ hoe vaak hoor ik me dat niet zeggen tegen bewoners die dwalen. Het kost soms veel geduld en ook wat creativiteit om bewoners weer naar bed te begeleiden. Soms voor de zoveelste keer in één nacht. ‘Ga maar lekker slapen, bekijk de binnenkant van je ogen’ waarop een bewoonster ooit zei: ‘maar daar brandt geen licht!’ De nacht is nu eenmaal niet de veiligste plek voor iemand die angstig is.

Deze bewoner is niet angstig, maar wel verdrietig. Hij vertelt over zijn vrouw en over zijn zoon die zo plotseling is overleden. Mijn oog valt op de vele kleurrijke platen aan de wand. Als ik daar naar vraag, zijn ineens de herinneringen aan zijn vrouw en zijn zoon verdwenen. Hij begint te praten over zijn reis naar Afrika. Over zijn liefde voor het land, voor de dieren, voor de olifant.

Als ik hem zo hoor praten, over al die mooie herinneringen, maar ook over zijn gemis en zijn verdriet, dan raakt me dat wel. Herinneringen bij bewoners met dementie zijn vaak flarden en flarden worden langzaam rafels. Draden en lijnen in de tijd, maar het roept wel gevoelens bij ze op.

Wat gaat er in hun hoofd om, welke flarden laat ze dwalen, zorgen ervoor dat ze niet slapen kunnen? Mag dat ook het gemis en het verdriet zijn, mag dat ook de drang zijn naar een stukje eigen ruimte, in het opeisen van een beetje aandacht en klein stukje van je tijd? Dat je meekijkt naar de flarden, naar de rafels en begrijpt waarom ze wakker zijn?

Als de slaap niet komt, als gevoel je wakker houdt. Als de tranen in je hart gaan stromen, als je gewoon even in een hoekje wil gaan zitten met een kopje chocolademelk. Ik geef hem geen ongelijk.

‘Ga maar lekker slapen’ ik zeg het toch maar als hij weer warm onder de dekens ligt. De speculaasjes liggen onaangeroerd op het nachtkastje. ‘Welterusten, droom maar mooie dromen, droom maar van Afrika én van de olifant!’ en hij begint te glimlachen als ik dat zeg. Ik zie pretoogjes. Pretoogjes met een traan.

‘Welterusten hoor!’

Raak me aan!

‘Blijf doorgaan!’ en dat zei ze heel dwingend! Dus ging ik door met het strelen van haar hand. Mevrouw was stervende en terwijl ik naast haar bed zat, midden in de nacht, herhaalde ze de vraag of het wel goed zou komen met haar. Ze had teveel mensen gekwetst in haar leven, was streng geweest naar anderen en met haar gedrag anderen afgewezen. Het was een statige dame en ze wilde dat ik naast haar zat en haar hand streelde. Dus dat deed ik, terwijl ik luisterde.

De nacht vorderde en mevrouw sliep. Ik liet haar hand los. Ineens was ze weer wakker. ‘Doorgaan!’ zei ze gebiedend. Ik ging weer zitten, pakte haar hand, streelde en ze werd rustig. Ze zuchtte nog één keer en ze stierf. Dat was een bijzonder moment.

In het hospice heb ik gemerkt en geleerd hoe belangrijk aanraken is. Hoeveel waarde sommige mensen hechten aan het vasthouden van een hand, of een streling langs de wang. Sinds ik werk in het verpleeghuis en veel te maken heb met bewoners met dementie, merk ik het ook.

Bij bewoners met dementie staat het gevoel op de voorgrond. Vanuit wat ze voelen, laten ze veel zien en horen. Een mevrouw die onrustig reageert op wat er naast haar aan tafel gebeurt, kan ik geruststellen door mijn hand op haar hand te leggen. Soms komen ze zelf naar je toe. Leggen hun hoofd op je schouder of een arm om je heen: ‘Ik ben zo blij dat jij er bent!’

Je moet er ook voorzichtig mee zijn. Er zijn grenzen aan aanraken. Zowel vanuit je professie zijn er grenzen als vanuit de wens van de bewoners. Sommige bewoners willen niet aangeraakt worden en daar moet je zorgvuldig mee omgaan. De ene zorgverlener raakt een bewoner eerder aan dan de ander. Fysiek contact ervaart iedereen verschillend. Goed om daar bewust van te zijn.

Ooit zag ik een filmpje van een verzorgende die een bewoonster met dementie in een rolstoel vooruit reed. Omdat mevrouw door haar dementie geen besef had dat er iemand achter haar was, was dat angstig. Stel je maar eens voor dat je vooruit gereden wordt en niet beseft dat er iemand is die je stuurt en leidt. Al rijdend lag de hand van de verzorgende op de schouder van de bewoonster. Dat gaf veiligheid. Het sprak de taal uit van: ‘Ik ben er wel, ik ben bij je!’

Sinds kort hebben we in het verpleeghuis waar ik werk de CRDL. Dat is een instrument dat aangeraakt wordt door de bewoner en nog een persoon. Daardoor is er muziek hoorbaar. Als je de ander met je andere hand aanraakt, reageren de geluiden en tonen daarop. Ik ben erg blij met de CRDL. Het maakt onverwachts contact mogelijk met bewoners die diep verzonken zijn in de dementie, maar het raakt ook bewoners die niet goed weten hoe ze zich kunnen uiten. Het tovert een lach op hun gezicht!

Dit weekend liet ik de CRDL uitproberen door een dochter van een bewoonster. Soms zijn de bezoeken aan moeder moeilijk. Waar heb je het over met elkaar, wat kan je doen? Beide handen lagen op de CRDL en de tonen deden hun werk. De hand die de ander streelde.

Ik weet dat we als zorgverleners met veel bezig zijn in de zorg en we zijn druk en hollen wat af. Toch is dit bij deze bewoners en bij zoveel andere doelgroepen, zo waardevol. Een rustpunt voor beiden. ‘Jouw hand, mijn hand en ik raak je voorzichtig aan. Sluit maar je ogen, wordt rustig, wordt kalm.’

De vrouw in het hospice dwong me bijna om haar aan te raken. Veel bewoners met dementie schreeuwen om aangeraakt te worden, maar kunnen dat niet uiten. Bij beiden is het de roep om veiligheid, nabijheid en contact. Een roep om gezien te worden en gehoord. De roep op sommige momenten: ‘Raak me aan!’

Voor info over de CRDL: https://crdlt.com/ of filmpjes: https://vimeo.com/crdl

Zeurzak

Ik was de hele morgen met extra taken bezig geweest en at mijn broodje bij mijn collega, de stagiaire en de bewoners mee op de groep. Dat was natuurlijk erg gezellig. Kleinschalig wonen heeft als nadeel dat je je eigen teamgenoten weinig spreekt. Dus ja…

We kregen het over bladderen. ‘Wat is bladderen?’ vroeg de stagiaire. Dat legden we uit. ‘Met een soort van echografie, een klein apparaat, kijk je hoeveel urine iemand in de blaas heeft. Dat doe je door dit apparaat op de buik, op de plaats van de blaas, te plaatsen.’

Onze leergierige stagiaire wilde ook wel weten waar dat dan voor was. ‘Nou, dat doe je om te kijken of iemand bijvoorbeeld wel goed uit plast, of er geen urine achterblijft….’ en ondertussen aten wij smakelijk ons broodje knakworst op.

De bewoners waren aandachtig aan het meeluisteren. Het was natuurlijk niet een heel persoonsgericht gesprek dat aansloot bij de beleving van onze bewoners. Het sloop er even tussendoor. Soms heb je dat.

Maar een bewoonster had goed geluisterd. Terwijl we het al over andere onderwerpen hadden, keek zij de stagiaire aan. ‘ Zeg’ moet ik ook ge….nou je weet wel worden?’ ‘Gebladderd?’ vroeg de stagiaire. Ja, dat bedoelde ze inderdaad. ‘Dat hoeft alleen maar als je klachten hebt’ legde ze rustig uit. ‘Heb je klachten? Er is toch niets?’ vroeg ze nog even door. ‘Ach nee’ zei de bewoonster ‘het is de zeurzak maar waar ik last van heb.’

Het werd abrupt stil aan tafel. Mijn mes liet ik rusten op het bord en we keken haar allemaal aan. Toen moesten we toch wel heel hard lachen. Dat vrouwtje, meestal zo gesloten. Stil genietend van verhalen, bescheiden op haar manier. ‘Het is de zeurzak maar’ het klonk zo komisch uit haar mond. Zo echt en oprecht. Ze lachte met ons mee. Een twinkeling in haar ogen, beetje ondeugend. Dat had ze toch maar even gezegd!

Zo zie je maar, betrek bewoners in je gesprekken. Ze horen je wel en ze praten mee. Juist in de zorg aan bewoners met dementie, waar herhaling van woorden en zinnen aan de orde van de dag zijn, is het zo mooi als je ineens verrast wordt. Hoe leuk is dat!

Een mooi moment tijdens de lunch. Dat allemaal om een zeurzak!

In de wei!

‘Ga je met me mee in de wei?’ en dat vroeg ze zo oprecht aan mij.

Even ervoor was ze boos op me. Ze wilde niet. Ik kon hoog en laag springen, maar ze wilde niet aangekleed worden. Ze bleef staan en haar ogen dwongen me om niet verder aan te dringen. Dus paste ik mijn schema aan en keek bij iemand anders achter de deur. ‘Kan ik u helpen?’ en ze zat al op het bed, alsof ze me had opgewacht.

‘Ga je met me mee in de wei?’

Ach, waar zijn jouw gedachten, op deze vroege morgen. Wat heb je gedroomd? Waar dacht je aan toen ik je achterliet op je kamer? Hier liet om de rust weer terug te krijgen, om de lach weer te zien op je gezicht.

Wat je ook bedoelde met de ‘wei’, ik moet eerlijk toegeven dat ik het geen slecht idee vind. Wat is het soms aanlokkelijk om de boel maar de boel te laten en de sloot over te springen, de wei in. Gewoon maar te rennen, de wind in je rug en de zon op je gezicht. Om het maar te laten gaan. Gewoon vrij te zijn!

Zou je dat willen? Zou je dat beklemmende gevoel herkennen en gewoon eens willen rennen? Ongedwongen en ontspannen. Alle hekken negerend. Ongeremd de grond aanraken met je blote voeten, kriebelend gras tussen je tenen. De vlinders volgen en bij de horizon pas tot rust komen. Je ogen sluiten. De geur van bloemen opsnuiven en luisteren naar het gezang van vogels.

Misschien draaf ik nu door.

Dartelen, huppelen, rennen. Wanneer deed jij dat voor het laatst?

‘Ga je met me mee in de wei?’

‘Ja, ik ga met je mee!’ en dat vindt ze fijn. ‘Zullen we dan wel iets warms aantrekken? Anders is het zo koud in de wei.’

Aangekleed en wel zit ze even later aan tafel, het ontbijt staat voor haar en een kopje thee. De wei verdwijnt weer naar de achtergrond. Het was even een uitstapje van haar in haar gedachten en ik mocht mee.

In de wei.

Kijk eens!

‘Koude handen, warme liefde’ het is één van de uitdrukkingen die in mijn hoofd gebeiteld zit. Als ik de uitdrukking hoor, zie ik meteen de bewoner erbij die dit altijd zegt. Zo heb ik al heel wat zinnen in mijn hoofd, die voorheen onbekend voor me waren, maar die ik nu zo meedreun.

‘Kijk eens naar de poppetjes van mijn ogen, kijk eens naar het kuiltje in mijn kin’ we zingen het luidkeels mee. Dat ik protestants ben, maakt het wat makkelijker om ook de christelijke liederen mee te zingen. ‘Er ruist langs de wolken…’ ik zing het samen met mevrouw en ze heeft tranen in haar ogen staan. ‘Mooi he?’ zeg ik en ze knikt. Rode blosjes op haar wangen.

Op muzikaal gebied heb ik inmiddels al heel wat bijgeleerd en associaties opgebouwd. Zo schreef ik al eens een blog over Andre Rieu. Hoe mooi de muziek ook is, maar bij het horen ervan ben ik meteen in de huiskamer van de woning waar ik werk. Ik zie de gezichten van de bewoners. Sommigen in zichzelf gekeerd en anderen wiegen mee op de muziek. Ze genieten.

Naast muziek, hoor ik ook verhalen. Bewoners kunnen smakelijk vertellen over wat ze vroeger kookten en vooral hoe. Toen ik ooit baklever moest bakken en dat nog nooit eerder gedaan had, zocht ik niet op internet, maar vroeg het aan een bewoonster. Haar gezicht begon te stralen, want baklever lustte ze heel graag. Toen ik plakken wilde snijden, wees ze me streng terecht. ‘Veel te dik!’ en dus sneed ik ze dunner.

Bewoners komen met verhalen. Vanuit hun wereld en hun verleden. Het kost even moeite om dat verhaal naar boven te krijgen, maar ik luister er graag naar. Of het om het werk van manufacturier of bakker gaat, de eerste liefde of om de vakanties in de Alpen. Het is mooi om die beelden te vangen en de mens achter de dementie te zien.

Het mooiste daaraan is dat de bewoner zelf er zo van gaat stralen. Zo vertelde een bewoner ooit vol passie hoe het werk in de slagerij was. Waar de andere bewoners bijna vol walging haar aanstaarden, deed zij voor hoe ze een varken ving. ‘Ik pakte ze zo bij het staartje beet…..’ en ze lachte er luidkeels bij. Ze was weer even terug in de slagerij en het gaf haar zoveel voldoening en blijdschap.

‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen….’ ik weet bij wie dat een glimlach op het gezicht kan toveren en bij wie de arm even omhoog gaat om mee te dirigeren. Dat leer je niet in je opleiding, maar dat leer je door te luisteren naar je bewoners en zelfs in het zwijgen de twinkeling te zien.

Een geur, een herinnering

Zo rond de sinterklaastijd draaide er op tv een reclamespotje van een drogist. Een oudere vrouw krijgt een cadeautje. Het is een stukje lavendelzeep en als ze de geur opsnuift, is ze terug op vakantie. Ze ziet de dieppaarse velden voor zich met lange rijen bloeiende lavendel. Het is een mooie herinnering.

Dat doen geuren. Ik schreef er al eerder over in de blog ‘Koperpoets en bijenwas.’ Ik herken dat bij mezelf, maar ervaar het ook in de zorg die we geven. Juist bij bewoners met dementie, kan je met geuren prikkelen. De groentesoep die pruttelt, het stoofvlees in de pan, de koffie in de kan.

Geuren kunnen ook negatief werken. Soms wordt er gemalen koffie op een schoteltje gelegd om nare geuren in de kamer van een bewoner, die terminaal is, te maskeren. Goedbedoeld uiteraard, want het is meestal vanwege de wakende naasten dat dit wordt gedaan. Daardoor denkt menig naaste na die tijd bij de geur van koffie terug aan dat moment, het moment van waken. Dan zijn ze weer even terug aan het sterfbed, terug in dat kamertje.

Geuren halen herinneringen naar boven. Ze kunnen te overheersend zijn, ze kunnen nare gedachten naar boven halen, maar ook een glimlach toveren op iemands gezicht. Diep inhalerend geuren opsnuiven, om de prettige herinnering vast te houden. Al is het maar voor even.

Wat is er mooier dan dat je juist die kleine herinneringen en die associaties bij bewoners met dementie naar boven haalt. Dat kan op heel veel manieren. Door het praten over onderwerpen die passen in hun beleving en ervaringen. Door het bekijken van een fotoboek of platen in een tijdschrift of door het luisteren naar muziek. Het kan ook door het delen van geuren. Subtiel, op een manier dat de ander even de ogen sluit en zich terug waant op een plek waar hij of zij nog amper het bestaan van wist. Verdwenen flarden in de tijd, tot leven gewekt.

Dan moet je wel je bewoner kennen. Dat kost tijd en moeite, maar je krijgt er ook wat voor terug. Een glimlach of een mooi verhaal.

De genoemde reclame beeldt dat zo mooi en treffend uit. Een geur, een herinnering.

Herken je dat?

Zing maar voor mij!

Wat een gezellige spanning was er, de ochtend dat Sinterklaas met zijn pieten op de groep zou komen. Elk jaar is dat weer een gezellige bende. Soms moet dat kunnen, ook bij mensen met dementie.

Met extra inzet hadden we de bewoners om half tien in de woonkamer zitten. De ballen voor de soep waren gedraaid, de soep pruttelde al op de kookplaat. Sinterklaas wordt gevierd met familie erbij. Dus zijn er hapjes ingeslagen, soep en broodjes voor tussen de middag.

Sinterklaasje kom je maar binnen….’ ze zingen bijna allemaal mee. Vol verwachting stralen de ogen en het woord ‘verkneukelen’ doet recht aan wat ik bij menig bewoner van het gezicht denk af te lezen.

Sinterklaas op de groep, op een stoel in het middelpunt. Daarom heen zitten wij. Personeel, familie, bewoners zelf. Het tovert een glimlach op de gezichten en ook een beetje spanning. Eén voor één mogen ze bij Sinterklaas komen. Ieder ontvangt een persoonlijk woordje.

Ik zie ze daar zitten. Bewoners van rond de negentig, die als een kind zo blij en met diep respect voor Sinterklaas voor hem zitten. Vol verwachting luisteren en het cadeautje in ontvangst nemen en uitpakken. Zelfs van de bewoner waar je het niet van verwacht, is de glimlach te zien en zie je de schittering in de ogen.

Dat doen herkenbare beelden en plaatjes. Dat raakt aan beleving en gevoel. Het mag dan even hard werken zijn om ze allemaal op tijd uit bed te krijgen en het geeft onrust na de tijd, maar dat neemt niet weg dat deze ochtend, met Sinterklaas, met familie, heel waardevol is.

Het was mooi om te zien hoe iedere bewoner op een eigen manier reageerde. Met een diepe knuffel aan de Sint, maar ook met afwachting en zelfs met een eigen wil en besef dat je niet meer kind bent en ook zelf wel wat te vertellen hebt. Zelfs aan Sinterklaas!

‘U kunt mooi zingen! Zingt u een liedje voor mij?’ vroeg Sinterklaas. ‘Nou’ en ze keek er een tikkeltje uitdagend bij ‘zingt u maar eens een liedje voor mij!’

Dat deed hij en wij zongen gezellig mee.

Mooi moment

Kleuren binnen de lijntjes, zij kan het. Ik kijk er met bewondering naar. De rust in haar hand, de concentratie op het blad voor haar. Een bloem wordt met veel zorgzaamheid rood gekleurd. Gerimpelde hand, op leeftijd. Mooi moment.

Soms wil je momenten pakken en vasthouden. Soms is dat er ineens.

kleuren 2 (2)

Zaterdag had ik een vroege dienst. We zaten met de bewoners aan de koffie. De tijdschriften op tafel, een muziekje op de achtergrond. Het stoofvlees voor het avondeten pruttelde op de kookplaat. Geur van kaneel, kruidnagel en ui omringde ons. Knus en huiselijk.

Ik pakte de kleurpotloden en legde ze op tafel. De bewoners keken me kritisch aan. Kleuren? Onverstoorbaar scheurde ik kleurplaten uit ‘het kleurboek voor volwassenen’ uit en legde ze voor ze neer. Niet veel later hadden drie bewoners een kleurpotlood in de hand en kleurden ze. Rimpelige handen omsloten een potlood en kleurden in stilte. Waar dachten ze aan?

Soms wil je momenten pakken en vasthouden. Soms is dat er ineens.

pan (2)

Ik zie haar ringen, als een dierbare herinnering aan wat soms verdwenen is. Vergeten is. Dan ineens is het er weer en kan ze vertellen over haar leven. Haar jeugd, haar man, haar vader. Papa’s meisje, prinsesje. Een glimlach verschijnt en de vrolijkheid in haar ogen is terug. Dromerig, lachend kijkt ze voor zich uit. Waar denkt ze aan?

Zij kleurt binnen de lijntjes, waar ik vaak de randen over ga. Ik mis het geduld, maar zij neemt de tijd. Het raakte me ineens om ‘mijn’ bewoners zo te zien zitten.  Waar de één toch was gaan kleuren, zat de ander met gesloten ogen te genieten van de muziek. Weer een ander gaf duidelijk aan gewoon te willen zitten. Met de koffie naast zich en het koekje in de hand.

Soms wil je momenten pakken en vasthouden. Soms is dat er ineens. Soms glijdt het weg, glipt het tussen je handen weg. Flarden van het leven, onthecht en uiteengevallen. Buiten de lijntjes van de werkelijkheid. Wat maakt je boos en wat verdrietig? Hoe kan ik vatten wat jij zeggen wil?

kleuren 1 (3)

In de geur van stoofvlees zit het niet, maar het brengt me terug in een gevoel. Ogen dicht en ik sta bij oma aan het fornuis, draadjesvlees. Zou ze dat ook zo voelen? In haar hand die zo ijverig  bezig is en haar stem die moppert over de kwaliteit van de potloden. Ik vang het op. Dat is zo bijzonder, dat raakt aan wat ik bedoel. Mooi mens, uniek! Ook als beelden vervagen en een ring enkel weerspiegelt de herinnering die er niet meer is.

Soms wil je momenten pakken en vasthouden.

(Geschreven: 25 november 2019)

‘Waarom slaap je niet?’

‘Waarom slaap je niet? Waarom dwaal je over de gangen? Wat gaat er in je hoofd om? Zoek de warmte van de dekens en sluit je ogen. Droom mooie dromen, rust uit. Waarom slaap je niet?’

Ze sluit een seconde haar ogen, haar hand glijdt langs mijn uniform en ze knijpt de stof bijna fijn. Ze kijkt me aan en praat over iets wat ik niet kan verstaan. In de stilte van de nacht, zittend op haar bed. Ik streel haar voorhoofd, zeg dat ze slapen mag.

gang (2)

‘Waarom slaap je niet? Waarom sta je wéér op de gang en trek je aan de gordijnen? Waarom staar je in het duister? Wat wil je vinden, waar zoek je naar? Kom maar mee, pak maar mijn hand. Je mag naar bed. Ga maar slapen, droom mooie dromen, rust maar uit.’

Ze gaat gewillig mee en gaat zelfs liggen in bed. Ik trek de dekens tot onder haar kin. Als ze ligt, gaapt ze. ‘Zie je wel, ze is wel moe’ en weer streel ik haar voorhoofd. Rondjes, rondjes, steeds maar weer. Zoals ik ooit mijn kinderen streelde als het hoofd vol was met kindergedachten en angstige dromen. ‘Ga maar slapen, ik ben wel bij je, wees maar niet bang.’

‘Waarom kom je nu weer overeind als ik deur nog niet eens gesloten heb? Waarom ga je niet slapen? Kom, sluit maar je ogen. Droom mooie dromen, rust uit. Laat de vragen liggen tot morgen, open je ogen als de vogels de ochtend welkom heten. Slaap maar, ga maar slapen.’

Ze slaapt. Ze slaapt totdat het ochtend wordt.

bed (2)

Ik lig in bed. In mijn slaapkamer is het inmiddels licht. Ik hoor de stemmen van de buurmeisjes. Ik hoor de regen tikken tegen het raam. Waarom kan ik niet slapen? Ik heb de hele nacht gewerkt. Ik ben moe, ik wil mooie dromen dromen, uitrusten.

Meestal slaap ik meteen na een nachtdienst, maar nu ineens niet. Ik zie de agenda in mijn hoofd, in gedachten ga ik alles na wat ik nog moet doen. Boodschappenlijstjes schrijf ik uit, de opzet van mijn verslag voor de studie begint in mijn gedachten vorm te krijgen. Ik zie gezichten voor me van mensen die ik nodig eens moet bellen en ik moet niet vergeten dat ik…..en zo slaap ik dus niet.

Waar is de hand die rondjes wrijft over mijn voorhoofd? De stem die zegt: ‘Ga maar slapen, droom mooie dromen, rust uit en leg neer waar je mee bezig bent.’

Ik begrijp ineens haar onrust, waarom zij niet slapen kan. Als nachtdienst wil je iedereen lekker laten slapen. Dwalende bewoners begeleid je terug naar bed. ‘Ga maar slapen, droom mooie dromen, totdat het morgen is.’

Maar soms, soms lukt dat niet.

Ik stap uit bed. Slapen doe ik wel op een ander moment.

(Geschreven: 5 november 2019)

‘Zuster Klivia, Livia…’

‘Wij zijn familie van elkaar’ haar ogen stralen als ze dit tegen me zegt. Ik ontmoet haar in de gang, als mijn late dienst begint. Het is het eerste dat ze tegen me zegt. ‘Zijn wij familie?’ vraag ik haar. ‘Ja, wij zijn ver familie van elkaar’ en ze kijkt er heel gelukkig bij. Dat vind ik dan wel fijn. Ik laat het verder rusten.

De week daarna zijn Iris en Marin vrij van school. Een hele dag en ik heb een vroege dienst. Daar had ik natuurlijk weer geen rekening mee gehouden. Marin vindt het wel leuk om ’s middags bij mij op de groep te komen. Eerst wat onwennig, maar uiteindelijk helpt ze mee met de koffie of gaat ze in een hoekje zitten lezen. Deze middag helpt ze mee bij de bingo. Ze helpt een mevrouw met het zoeken van de getallen.

uniform (3)

Als ze op de groep komt, vertel ik de bewoners dat dit mijn dochter is. Dat is interessant en alle hoofden draaien zich naar haar toe. ‘Oh dan is dat mijn achternichtje!’ zegt mevrouw enthousiast en ze kijkt me wederom heel gelukkig aan. Nu herinner ik me ineens weer dat ze laatst zo blij was dat we familie van elkaar bleken te zijn. Ik ben nu wel benieuwd waar ze dat ineens vandaan haalt.

Weer een week later vraagt ze hoe ik ook alweer heet. ‘Amelia, Livia, Klivia…’ somt ze op. ‘Ik heet Lydia, maar Klivia is ook prima hoor’ zeg ik lachend. ‘Mijn moeder noemt me ook wel eens zuster Klivia’ voeg ik er aan toe. De hele dag luisterde ik dus braaf naar de naam ‘Klivia’. Dat had ze goed onthouden.

Als deze week de dochter op bezoek komt, wil ik toch eens vragen waarom mevrouw denkt dat ik familie ben. Nieuwsgierig als ik ben, dat snap je. Dochter begrijpt het wel. Moeder heeft een achterkleindochter, haar kleindochter, die Livia heet. Toen zij geboren werd en ze aan haar moeder vertelde wat de naam was, had ze meteen gezegd: ‘zo heet een zuster ook!’ Ze had de namen door elkaar gehaald, Lydia en Livia. Daarmee was ik als naam verbonden aan die van haar telg en vandaar dat ik bijna een plekje kreeg in de stamboom.

stamboom

Gisteravond zaten we aan de koffie met de bewoners. Mevrouw zat tegenover me. ‘Lydia heet jij’ zei ze terwijl ze me in de ogen keek. ‘Livia, Lydia…’ ze was het voor zichzelf aan het herhalen. ‘We waren bijna familie he?’ zei ik tegen haar. ‘Bijna wel!’ antwoordde ze met een twinkeling in haar ogen. ‘Nou, je zult er maar zo één in je familie hebben’ zei ze plagend en ze keek de andere bewoners veelbetekenend aan. Daar moest ik erg om lachen. ‘Dan was ik vast het zwarte schaapje’ flapte ik eruit. ‘Oh nee’, zei ze ineens heel serieus ‘dat zeker niet!’

(Geschreven: 3 mei 2019)