Vandaag ga ik

‘Vandaag ga ik dood’ zegt ze, terwijl ik haar op de rand van het bed heb zitten. Ik heb haar net de washand gegeven. Ze zegt het met een stelligheid, zoals ze dat vaker tegen mij zegt. Ik kijk haar aan en zij kijkt mij aan. ‘Vandaag ga ik dood’ en ze zoekt bij mij bevestiging.

‘Oh nee, niet vandaag hoor. Daar heb ik écht geen zin in’ zeg ik quasi serieus. ‘Hoezo niet?’ en ze wast haar wangen, ze worden er rood van. ‘Dan heb ik daar zoveel werk mee, daar heb ik vandaag helemaal geen zin in’ ze kijkt me verbaasd aan. ‘Meen je dat?’ vraagt ze en ze kijkt me recht in mijn ogen aan, alsof ze wil ontdekken of ik een grapje maak. ‘Ja, echt waar. Dan wil ik je netjes neerleggen, moet ik de arts bellen, je kinderen….vandaag niet hoor’ en ze beseft ineens dat ik haar inderdaad voor de gek houd. Er verschijnt een grote glimlach van oor tot oor. ‘Wat ben je toch een schat’ en dan begint de dag en ze heeft het niet meer over doodgaan.

Nou ja, soms wel. Soms is daar ineens de dood aanwezig. In haar vraag of je nog even bij haar blijft, even naast haar wil zitten op het bed en haar hand wil vasthouden, omdat ze bang is. Soms is ze ’s nachts wakker en is ze er stellig van overtuigd dat ze iemand heeft vermoord. ‘Ik heb écht iemand vermoord hoor, ze ligt in de gang’ en hoe ik haar ook wil geruststellen, het helpt niets. Ze blijft herhalen: ‘Ik heb iemand vermoord’ en denk maar niet dat ze nog slapen gaat.

‘Weet je wat, ik zal het opruimen en ik zal de gang dweilen. Dan zie je er morgen niets meer van ‘ zeg ik in een poging om haar rustig te krijgen. In het schijnsel van de schemerlamp zie ik dat ze haar hoofd op het kussen neerlegt en glimlacht. ‘Ah, dat is fijn’ zegt ze en wederom ben ik een schat. Ze draait zich om op haar zij en sluit haar ogen, in de veronderstelling dat zij lekker slapen mag en dat ik de boel wel opruim.

Met haar kan ik zo spreken. Wat ik bij een ander niet zeggen kan, dat kan bij haar wel. Het stelt haar gerust, en de kwinkslag in mijn woorden leidt haar af. Breekt het moment waarin ze alles wat somber ziet. Dan is de dood verdwenen en maken we de wasbeurt af. Is het weg, is het vergeten, totdat het ineens weer naar boven komt. ‘Blijf je even bij me? Ik ben bang.’

Totdat het sterven echt dichtbij is. Ze ligt op bed, ze wil niet meer. Haar mond houdt ze stevig dicht. Ze eet al dagen niet meer en de medicatie weigert ze volop. Het is goed zo. De dood dichtbij en ik sta naast haar bed. Ze slaapt, haar ogen iets geopend, maar ze kijkt me niet meer aan.

‘Vandaag mag je. Vandaag mag je sterven, het is goed. Je kinderen omringen je, ze zijn er allemaal’ en ik streel haar hand. ‘Vandaag mag je, ook in mijn dienst hoor!’ Het is geen kwinkslag en geen grapje om haar af te leiden, om de lach op haar gezicht te toveren. ‘Vandaag mag je’ is mijn aanmoediging aan haar om het los te laten. Het is goed en ik gun het haar zo.

Ze sterft die dag. Ik ben nog net niet naar huis. Samen met een collega verzorgen we haar, wassen we haar gezicht, kam ik haar haren. Voor een laatste keer. Zoveel jaren was ze hier, woonde ze hier. Terwijl ik naar haar kijk, komen al die momenten en gesprekken even naar boven.

‘Vandaag ga ik dood’ ik hoor het haar in gedachten zeggen. Ik streel haar hand en leg ze netjes over elkaar op de dekens neer.

‘Dag lieve bewoonster, ik vond jou ook een schat!’

Op reis!

We gaan op reis. Je kan blijven zitten, gewoon blijven zitten. We gaan op reis, reken maar. Het kost je niets, het is helemaal gratis. Heel even geduld en dan ben je waar je wezen wilt. Althans, dat hoop ik maar.

Zullen we dan maar? Vertrouw je mij?

Daar gaan we dan.

Voor we er erg in hebben zijn we al in Amsterdam. Het Rijksmuseum doemt voor ons op en ineens zijn we lopend door kleine straatjes bij je huis aangekomen. Maar het is een ver verleden en de beelden van alle gebouwen en herinneringen, zijn vervlochten met elkaar. De stilte valt en de vertwijfeling.

Je hoeft niet lang te wachten, onze reis wordt door een ander voortgezet. Ze neemt ons aan de arm mee en dan wandelen we langs de Kalverstraat, het paleis op de Dam, de Prinsengracht…..ja, dat zegt je nog wel wat. Ik zie je glimlach weer en je hoofd knikt instemmend, terwijl je nogmaals roert in de koffie.

Ineens zijn we weer in Twente, het stuur is door een ander overgenomen. Bevinden we ons voor het oude ziekenhuis van Oldenzaal. ‘Een prachtig mooi gebouw, daar heerste rust en stilte’ vertelt ze en we dwalen met haar mee door de lange gangen. We worden meegenomen naar de dansschool, waar zij haar eerste danslessen kreeg. Waar ze verliefd werd op haar man en we glimlachen allemaal. Ik zie het voor me, met haar sjaaltje om de hals. Zwierend meisje.

We gaan langs Utrecht, maar het flitst aan ons voorbij. De gedachten en de beelden zijn in mist gehuld. Totdat er ineens een opleving komt. ‘Wat hadden we een mooi weekend! We zijn met elkaar een weekend weg geweest!’ en we volgen niet het draadje, maar de glimmende ogen en het plezier dat we kunnen lezen in haar blik, maakt dat we nog steeds voldoening halen uit onze reis. Haar lach, haar rode blos, een hand op mijn hand.

Onze reis gaat verder. Dwars door Hongarije en we leren hoe we ‘proost’ in het Hongaars kunnen uitspreken. Dat zijn we uiteraard alweer vergeten, maar de pogingen om het goed na te zeggen, houdt ons even bezig. Hij lacht breeduit om onze beroerde uitspraak, terwijl hij herhaalt: ‘Egészégére!’

Ik neem je mee op reis. Ik neem je mee met mijn ene vraag: ‘Waar kom jij vandaan?’ en we genieten allemaal mee als je gaat vertellen. Als jij iets laat doorschemeren van de plaatjes in je hoofd. Waar de één lange verhalen kan vertellen, blijft de ander steken bij de voordeur. Het is goed, we weven al die verhalen aan elkaar. Als een bundel van mooie momenten, waar we samen van genieten. Als blaadjes vol zinnen en foto’s, die neerdwarrelen in ons hoofd.

Ik neem je mee op reis? Nee, jij neemt mij mee op reis. Jij laat mij iets van jouw wereld zien. Ik stap in en jij voert mij mee. In je gedachten en je herinneringen. Het zit in kleine zinnen en flinterdunne momenten. Ik vind ze waardevol. Ik luister graag naar jouw verhalen en opmerkingen. Zelfs als je het met woorden niet kunt uitdrukken, dan geniet je mee van onze reis. Ik zie het aan je ogen, de twinkeling die alles zegt.

Samen op reis. Aan tafel, achter de koffie. Hoe leuk is dat!

‘Ik leer jou dansen’

‘Ik leer jou dansen’ zegt ze. Het is stil op de groep, de meeste bewoners zijn aan het rusten. De was ligt gevouwen in de wasmand en de koffie pruttelt. Zo’n momentje in de huiskamer, dat je tijd hebt voor één op één contact met de bewoner die nog rondloopt. De bewoner die geen rust vindt en graag jouw aandacht heeft.

Ik vraag haar welke muziek zij mooi vindt. In de ochtend hebben we naar ABBA geluisterd. Ze hadden meegezongen. Sommigen luidkeels en anderen binnensmonds. Een bewoonster zat zwijgend mee te luisteren, maar in haar ogen schitterden lichtjes. Zichtbaar genoot ze. Dat vind ik mooi om te zien. Het is leuk om muziek te luisteren die bewoners herkennen. Zo maak ik de ene bewoner erg blij met liedjes uit de Jordaan, de ander met André Rieu en weer een ander luistert graag klassieke muziek.

‘Welke muziek vind jij mooi?’ vraag ik. Mevrouw moet even nadenken. ‘Ik hou van schlagermuziek’ zegt ze. Dus zoek ik op onze iPad schlagermuziek op. Een andere bewoonster komt bij ons staan, als de eerste muziek door de huiskamer schalt. Ze staan beiden mee te wiegen. ‘Kom’ zegt ze, ze reikt haar beide handen naar me uit, omdat ze met mij wil dansen.

‘Ik kan helemaal niet dansen’ zeg ik grappend, maar tegenstribbelen heeft geen zin en er is zeker geen excuus meer als ze zegt: ‘Ik leer jou dansen.’

Daar gaan we dan, zwierend door de huiskamer met enkel de andere bewoonster als toeschouwster. Lachende gezichten en vrolijke muziek. Dan kan je ook eigenlijk niet stil blijven staan. ‘Je hoeft alleen maar mee te bewegen’ en ze leidt me verder, langs de eettafel en het keukenblok.

‘Je hoeft alleen maar mee te bewegen’ zegt ze. Hoe waar zijn die woorden, juist in de zorg aan mensen met dementie. Meebewegen met hun herinneringen, met wie ze zijn en met hun beleving. Dat is wel een zoektocht en er zijn momenten dat het niet lukt, dat de wereld van de ander onbegrepen is en gesloten blijft. Een uitdaging is het om de openingen te vinden. Waar vind ik de ander en hoe kan ik de ander iets aanbieden waarin hij of zij zichzelf herkent en daar blij of rustig van wordt? Dat de ander zich gezien voelt en waardevol?

‘Ik leer jou dansen’ en ze groeit in haar rol. Ik hoef alleen maar mee te bewegen.

De koffie is er door. Ik ga de koffie inschenken. Het dansen is voorbij, de muziek gaat nog even door. Haar glimlach is er ook nog. Alsof ze in gedachten nog steeds aan het dansen is. Danst op schlagermuziek.

Pretoogjes met een traan

Hij loopt steeds naar de huiskamer. Het is midden in de nacht. In plaats van te slapen, loopt hij rond. Van zijn slaapkamer naar de woonkamer. De belsensor gaat regelmatig af en soms ligt hij in zijn bed, heft zijn hoofd op en wens ik hem welterusten.

De pieper gaat weer af en ik loop naar de gang. Daar zit hij in de huiskamer, een beker chocolademelk heeft hij ingeschonken en ernaast liggen drie speculaasjes opgestapeld. Hij kauwt gedachteloos en merkt me niet meteen op. In de stilte van de nacht, een bewoner die niet slapen kan.

‘Kan u niet slapen?’ vraag ik en hij knikt bevestigend. De chocolademelk drinkt hij op en ik vraag of ik met hem naar zijn kamer zal meelopen. Dat is goed en hij staat op. De drie speculaasjes leg ik op zijn rollator neer. Zo lopen we terug naar zijn kamer. Ik trek de lakens glad en hij gaat zitten. ‘Ach, kom even zitten, even praten’ en hij lacht er vriendelijk bij.

Daar zit ik dan, naast zijn bed op de rollator (ja, eerst de speculaasjes veilig op het nachtkastje neergelegd). ‘Ik moet alsmaar denken aan mijn vrouw, ik mis haar zo’ en hij wijst naar de foto op een kastje. We kijken er samen naar. ‘Wat is ze mooi!’ zeg ik en hij begint te lachen. Pretoogjes met een traan.

In de nachtdienst wil je dat je bewoners slapen, dat ze rustig zijn. ‘Ga maar lekker slapen, het is nog maar midden in de nacht!’ hoe vaak hoor ik me dat niet zeggen tegen bewoners die dwalen. Het kost soms veel geduld en ook wat creativiteit om bewoners weer naar bed te begeleiden. Soms voor de zoveelste keer in één nacht. ‘Ga maar lekker slapen, bekijk de binnenkant van je ogen’ waarop een bewoonster ooit zei: ‘maar daar brandt geen licht!’ De nacht is nu eenmaal niet de veiligste plek voor iemand die angstig is.

Deze bewoner is niet angstig, maar wel verdrietig. Hij vertelt over zijn vrouw en over zijn zoon die zo plotseling is overleden. Mijn oog valt op de vele kleurrijke platen aan de wand. Als ik daar naar vraag, zijn ineens de herinneringen aan zijn vrouw en zijn zoon verdwenen. Hij begint te praten over zijn reis naar Afrika. Over zijn liefde voor het land, voor de dieren, voor de olifant.

Als ik hem zo hoor praten, over al die mooie herinneringen, maar ook over zijn gemis en zijn verdriet, dan raakt me dat wel. Herinneringen bij bewoners met dementie zijn vaak flarden en flarden worden langzaam rafels. Draden en lijnen in de tijd, maar het roept wel gevoelens bij ze op.

Wat gaat er in hun hoofd om, welke flarden laat ze dwalen, zorgen ervoor dat ze niet slapen kunnen? Mag dat ook het gemis en het verdriet zijn, mag dat ook de drang zijn naar een stukje eigen ruimte, in het opeisen van een beetje aandacht en klein stukje van je tijd? Dat je meekijkt naar de flarden, naar de rafels en begrijpt waarom ze wakker zijn?

Als de slaap niet komt, als gevoel je wakker houdt. Als de tranen in je hart gaan stromen, als je gewoon even in een hoekje wil gaan zitten met een kopje chocolademelk. Ik geef hem geen ongelijk.

‘Ga maar lekker slapen’ ik zeg het toch maar als hij weer warm onder de dekens ligt. De speculaasjes liggen onaangeroerd op het nachtkastje. ‘Welterusten, droom maar mooie dromen, droom maar van Afrika én van de olifant!’ en hij begint te glimlachen als ik dat zeg. Ik zie pretoogjes. Pretoogjes met een traan.

‘Welterusten hoor!’

Afscheidsdienst

Gisteren was de afscheidsdienst bij ons in het verpleeghuis. Daarin worden de overleden bewoners van het afgelopen jaar herdacht. Dat doen we met personeel en familieleden.

De namen werden genoemd. Bij het noemen van de naam werd een kaars aangedaan en een roos uitgereikt. We luisterden naar muziek, er was een meditatie en we lazen gedichten voor. We stonden samen stil bij ‘onze’ bewoners.

Daarna was er tijd om na te praten. Het is fijn om familie te ontmoeten. Voor hen is het soms een drempel om het verpleeghuis weer binnen te gaan. Het is de plek waar hun naasten gewoond hebben en werden verzorgd. Waar gehuild werd en gelachen. De plek waar ze langzaam afscheid namen. Soms al jaren steeds meer moesten loslaten van de ander. Waar ze als familieleden trouw bleven komen, ook al was de naaste hun naam en gezicht vergeten. 

Het is de plek waar ze gewaakt hebben en waar ze uiteindelijk definitief afscheid namen. Op het meest kwetsbare moment, stonden we soms samen met hen aan het bed.

Voor de zorgprofessionals is dat ook omschakelen. Soms heb je bewoners jaren mogen verzorgen en als ze overlijden neem je afscheid van de bewoner, maar ook van familie. Hun betrokkenheid en aanwezigheid, de mooie en bijzondere gesprekken.

En dan is de kamer leeg. Zijn de meubels weg en de foto’s van de muur. Je maakt kennis met een nieuwe bewoner en andere familieleden. De kamer wordt weer ingericht en dan gaat de zorg weer door.

Dat geeft niet, zo gaat dat. Dat is wel even wennen, wennen aan elkaar.

Gisteravond werden de namen opgelezen. We waren stil na iedere naam. Elke naam, riep beelden en gezichten op. Mooi om daar samen met de naasten bij stil staan. Om er op die manier voor elkaar te zijn, om elkaar weer even te ontmoeten en in de ogen te kijken. Om het af te sluiten.

Een handdruk, een groet en een ‘wel thuis!’

 

Raak me aan!

‘Blijf doorgaan!’ en dat zei ze heel dwingend! Dus ging ik door met het strelen van haar hand. Mevrouw was stervende en terwijl ik naast haar bed zat, midden in de nacht, herhaalde ze de vraag of het wel goed zou komen met haar. Ze had teveel mensen gekwetst in haar leven, was streng geweest naar anderen en met haar gedrag anderen afgewezen. Het was een statige dame en ze wilde dat ik naast haar zat en haar hand streelde. Dus dat deed ik, terwijl ik luisterde.

De nacht vorderde en mevrouw sliep. Ik liet haar hand los. Ineens was ze weer wakker. ‘Doorgaan!’ zei ze gebiedend. Ik ging weer zitten, pakte haar hand, streelde en ze werd rustig. Ze zuchtte nog één keer en ze stierf. Dat was een bijzonder moment.

In het hospice heb ik gemerkt en geleerd hoe belangrijk aanraken is. Hoeveel waarde sommige mensen hechten aan het vasthouden van een hand, of een streling langs de wang. Sinds ik werk in het verpleeghuis en veel te maken heb met bewoners met dementie, merk ik het ook.

Bij bewoners met dementie staat het gevoel op de voorgrond. Vanuit wat ze voelen, laten ze veel zien en horen. Een mevrouw die onrustig reageert op wat er naast haar aan tafel gebeurt, kan ik geruststellen door mijn hand op haar hand te leggen. Soms komen ze zelf naar je toe. Leggen hun hoofd op je schouder of een arm om je heen: ‘Ik ben zo blij dat jij er bent!’

Je moet er ook voorzichtig mee zijn. Er zijn grenzen aan aanraken. Zowel vanuit je professie zijn er grenzen als vanuit de wens van de bewoners. Sommige bewoners willen niet aangeraakt worden en daar moet je zorgvuldig mee omgaan. De ene zorgverlener raakt een bewoner eerder aan dan de ander. Fysiek contact ervaart iedereen verschillend. Goed om daar bewust van te zijn.

Ooit zag ik een filmpje van een verzorgende die een bewoonster met dementie in een rolstoel vooruit reed. Omdat mevrouw door haar dementie geen besef had dat er iemand achter haar was, was dat angstig. Stel je maar eens voor dat je vooruit gereden wordt en niet beseft dat er iemand is die je stuurt en leidt. Al rijdend lag de hand van de verzorgende op de schouder van de bewoonster. Dat gaf veiligheid. Het sprak de taal uit van: ‘Ik ben er wel, ik ben bij je!’

Sinds kort hebben we in het verpleeghuis waar ik werk de CRDL. Dat is een instrument dat aangeraakt wordt door de bewoner en nog een persoon. Daardoor is er muziek hoorbaar. Als je de ander met je andere hand aanraakt, reageren de geluiden en tonen daarop. Ik ben erg blij met de CRDL. Het maakt onverwachts contact mogelijk met bewoners die diep verzonken zijn in de dementie, maar het raakt ook bewoners die niet goed weten hoe ze zich kunnen uiten. Het tovert een lach op hun gezicht!

Dit weekend liet ik de CRDL uitproberen door een dochter van een bewoonster. Soms zijn de bezoeken aan moeder moeilijk. Waar heb je het over met elkaar, wat kan je doen? Beide handen lagen op de CRDL en de tonen deden hun werk. De hand die de ander streelde.

Ik weet dat we als zorgverleners met veel bezig zijn in de zorg en we zijn druk en hollen wat af. Toch is dit bij deze bewoners en bij zoveel andere doelgroepen, zo waardevol. Een rustpunt voor beiden. ‘Jouw hand, mijn hand en ik raak je voorzichtig aan. Sluit maar je ogen, wordt rustig, wordt kalm.’

De vrouw in het hospice dwong me bijna om haar aan te raken. Veel bewoners met dementie schreeuwen om aangeraakt te worden, maar kunnen dat niet uiten. Bij beiden is het de roep om veiligheid, nabijheid en contact. Een roep om gezien te worden en gehoord. De roep op sommige momenten: ‘Raak me aan!’

Voor info over de CRDL: https://crdlt.com/ of filmpjes: https://vimeo.com/crdl

Zeurzak

Ik was de hele morgen met extra taken bezig geweest en at mijn broodje bij mijn collega, de stagiaire en de bewoners mee op de groep. Dat was natuurlijk erg gezellig. Kleinschalig wonen heeft als nadeel dat je je eigen teamgenoten weinig spreekt. Dus ja…

We kregen het over bladderen. ‘Wat is bladderen?’ vroeg de stagiaire. Dat legden we uit. ‘Met een soort van echografie, een klein apparaat, kijk je hoeveel urine iemand in de blaas heeft. Dat doe je door dit apparaat op de buik, op de plaats van de blaas, te plaatsen.’

Onze leergierige stagiaire wilde ook wel weten waar dat dan voor was. ‘Nou, dat doe je om te kijken of iemand bijvoorbeeld wel goed uit plast, of er geen urine achterblijft….’ en ondertussen aten wij smakelijk ons broodje knakworst op.

De bewoners waren aandachtig aan het meeluisteren. Het was natuurlijk niet een heel persoonsgericht gesprek dat aansloot bij de beleving van onze bewoners. Het sloop er even tussendoor. Soms heb je dat.

Maar een bewoonster had goed geluisterd. Terwijl we het al over andere onderwerpen hadden, keek zij de stagiaire aan. ‘ Zeg’ moet ik ook ge….nou je weet wel worden?’ ‘Gebladderd?’ vroeg de stagiaire. Ja, dat bedoelde ze inderdaad. ‘Dat hoeft alleen maar als je klachten hebt’ legde ze rustig uit. ‘Heb je klachten? Er is toch niets?’ vroeg ze nog even door. ‘Ach nee’ zei de bewoonster ‘het is de zeurzak maar waar ik last van heb.’

Het werd abrupt stil aan tafel. Mijn mes liet ik rusten op het bord en we keken haar allemaal aan. Toen moesten we toch wel heel hard lachen. Dat vrouwtje, meestal zo gesloten. Stil genietend van verhalen, bescheiden op haar manier. ‘Het is de zeurzak maar’ het klonk zo komisch uit haar mond. Zo echt en oprecht. Ze lachte met ons mee. Een twinkeling in haar ogen, beetje ondeugend. Dat had ze toch maar even gezegd!

Zo zie je maar, betrek bewoners in je gesprekken. Ze horen je wel en ze praten mee. Juist in de zorg aan bewoners met dementie, waar herhaling van woorden en zinnen aan de orde van de dag zijn, is het zo mooi als je ineens verrast wordt. Hoe leuk is dat!

Een mooi moment tijdens de lunch. Dat allemaal om een zeurzak!

In de wei!

‘Ga je met me mee in de wei?’ en dat vroeg ze zo oprecht aan mij.

Even ervoor was ze boos op me. Ze wilde niet. Ik kon hoog en laag springen, maar ze wilde niet aangekleed worden. Ze bleef staan en haar ogen dwongen me om niet verder aan te dringen. Dus paste ik mijn schema aan en keek bij iemand anders achter de deur. ‘Kan ik u helpen?’ en ze zat al op het bed, alsof ze me had opgewacht.

‘Ga je met me mee in de wei?’

Ach, waar zijn jouw gedachten, op deze vroege morgen. Wat heb je gedroomd? Waar dacht je aan toen ik je achterliet op je kamer? Hier liet om de rust weer terug te krijgen, om de lach weer te zien op je gezicht.

Wat je ook bedoelde met de ‘wei’, ik moet eerlijk toegeven dat ik het geen slecht idee vind. Wat is het soms aanlokkelijk om de boel maar de boel te laten en de sloot over te springen, de wei in. Gewoon maar te rennen, de wind in je rug en de zon op je gezicht. Om het maar te laten gaan. Gewoon vrij te zijn!

Zou je dat willen? Zou je dat beklemmende gevoel herkennen en gewoon eens willen rennen? Ongedwongen en ontspannen. Alle hekken negerend. Ongeremd de grond aanraken met je blote voeten, kriebelend gras tussen je tenen. De vlinders volgen en bij de horizon pas tot rust komen. Je ogen sluiten. De geur van bloemen opsnuiven en luisteren naar het gezang van vogels.

Misschien draaf ik nu door.

Dartelen, huppelen, rennen. Wanneer deed jij dat voor het laatst?

‘Ga je met me mee in de wei?’

‘Ja, ik ga met je mee!’ en dat vindt ze fijn. ‘Zullen we dan wel iets warms aantrekken? Anders is het zo koud in de wei.’

Aangekleed en wel zit ze even later aan tafel, het ontbijt staat voor haar en een kopje thee. De wei verdwijnt weer naar de achtergrond. Het was even een uitstapje van haar in haar gedachten en ik mocht mee.

In de wei.

Een geur, een herinnering

Zo rond de sinterklaastijd draaide er op tv een reclamespotje van een drogist. Een oudere vrouw krijgt een cadeautje. Het is een stukje lavendelzeep en als ze de geur opsnuift, is ze terug op vakantie. Ze ziet de dieppaarse velden voor zich met lange rijen bloeiende lavendel. Het is een mooie herinnering.

Dat doen geuren. Ik schreef er al eerder over in de blog ‘Koperpoets en bijenwas.’ Ik herken dat bij mezelf, maar ervaar het ook in de zorg die we geven. Juist bij bewoners met dementie, kan je met geuren prikkelen. De groentesoep die pruttelt, het stoofvlees in de pan, de koffie in de kan.

Geuren kunnen ook negatief werken. Soms wordt er gemalen koffie op een schoteltje gelegd om nare geuren in de kamer van een bewoner, die terminaal is, te maskeren. Goedbedoeld uiteraard, want het is meestal vanwege de wakende naasten dat dit wordt gedaan. Daardoor denkt menig naaste na die tijd bij de geur van koffie terug aan dat moment, het moment van waken. Dan zijn ze weer even terug aan het sterfbed, terug in dat kamertje.

Geuren halen herinneringen naar boven. Ze kunnen te overheersend zijn, ze kunnen nare gedachten naar boven halen, maar ook een glimlach toveren op iemands gezicht. Diep inhalerend geuren opsnuiven, om de prettige herinnering vast te houden. Al is het maar voor even.

Wat is er mooier dan dat je juist die kleine herinneringen en die associaties bij bewoners met dementie naar boven haalt. Dat kan op heel veel manieren. Door het praten over onderwerpen die passen in hun beleving en ervaringen. Door het bekijken van een fotoboek of platen in een tijdschrift of door het luisteren naar muziek. Het kan ook door het delen van geuren. Subtiel, op een manier dat de ander even de ogen sluit en zich terug waant op een plek waar hij of zij nog amper het bestaan van wist. Verdwenen flarden in de tijd, tot leven gewekt.

Dan moet je wel je bewoner kennen. Dat kost tijd en moeite, maar je krijgt er ook wat voor terug. Een glimlach of een mooi verhaal.

De genoemde reclame beeldt dat zo mooi en treffend uit. Een geur, een herinnering.

Herken je dat?

Zing maar voor mij!

Wat een gezellige spanning was er, de ochtend dat Sinterklaas met zijn pieten op de groep zou komen. Elk jaar is dat weer een gezellige bende. Soms moet dat kunnen, ook bij mensen met dementie.

Met extra inzet hadden we de bewoners om half tien in de woonkamer zitten. De ballen voor de soep waren gedraaid, de soep pruttelde al op de kookplaat. Sinterklaas wordt gevierd met familie erbij. Dus zijn er hapjes ingeslagen, soep en broodjes voor tussen de middag.

Sinterklaasje kom je maar binnen….’ ze zingen bijna allemaal mee. Vol verwachting stralen de ogen en het woord ‘verkneukelen’ doet recht aan wat ik bij menig bewoner van het gezicht denk af te lezen.

Sinterklaas op de groep, op een stoel in het middelpunt. Daarom heen zitten wij. Personeel, familie, bewoners zelf. Het tovert een glimlach op de gezichten en ook een beetje spanning. Eén voor één mogen ze bij Sinterklaas komen. Ieder ontvangt een persoonlijk woordje.

Ik zie ze daar zitten. Bewoners van rond de negentig, die als een kind zo blij en met diep respect voor Sinterklaas voor hem zitten. Vol verwachting luisteren en het cadeautje in ontvangst nemen en uitpakken. Zelfs van de bewoner waar je het niet van verwacht, is de glimlach te zien en zie je de schittering in de ogen.

Dat doen herkenbare beelden en plaatjes. Dat raakt aan beleving en gevoel. Het mag dan even hard werken zijn om ze allemaal op tijd uit bed te krijgen en het geeft onrust na de tijd, maar dat neemt niet weg dat deze ochtend, met Sinterklaas, met familie, heel waardevol is.

Het was mooi om te zien hoe iedere bewoner op een eigen manier reageerde. Met een diepe knuffel aan de Sint, maar ook met afwachting en zelfs met een eigen wil en besef dat je niet meer kind bent en ook zelf wel wat te vertellen hebt. Zelfs aan Sinterklaas!

‘U kunt mooi zingen! Zingt u een liedje voor mij?’ vroeg Sinterklaas. ‘Nou’ en ze keek er een tikkeltje uitdagend bij ‘zingt u maar eens een liedje voor mij!’

Dat deed hij en wij zongen gezellig mee.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag