‘Zuster Klivia, Livia…’

‘Wij zijn familie van elkaar’ haar ogen stralen als ze dit tegen me zegt. Ik ontmoet haar in de gang, als mijn late dienst begint. Het is het eerste dat ze tegen me zegt. ‘Zijn wij familie?’ vraag ik haar. ‘Ja, wij zijn ver familie van elkaar’ en ze kijkt er heel gelukkig bij. Dat vind ik dan wel fijn. Ik laat het verder rusten.

De week daarna zijn Iris en Marin vrij van school. Een hele dag en ik heb een vroege dienst. Daar had ik natuurlijk weer geen rekening mee gehouden. Marin vindt het wel leuk om ’s middags bij mij op de groep te komen. Eerst wat onwennig, maar uiteindelijk helpt ze mee met de koffie of gaat ze in een hoekje zitten lezen. Deze middag helpt ze mee bij de bingo. Ze helpt een mevrouw met het zoeken van de getallen.

uniform (3)

Als ze op de groep komt, vertel ik de bewoners dat dit mijn dochter is. Dat is interessant en alle hoofden draaien zich naar haar toe. ‘Oh dan is dat mijn achternichtje!’ zegt mevrouw enthousiast en ze kijkt me wederom heel gelukkig aan. Nu herinner ik me ineens weer dat ze laatst zo blij was dat we familie van elkaar bleken te zijn. Ik ben nu wel benieuwd waar ze dat ineens vandaan haalt.

Weer een week later vraagt ze hoe ik ook alweer heet. ‘Amelia, Livia, Klivia…’ somt ze op. ‘Ik heet Lydia, maar Klivia is ook prima hoor’ zeg ik lachend. ‘Mijn moeder noemt me ook wel eens zuster Klivia’ voeg ik er aan toe. De hele dag luisterde ik dus braaf naar de naam ‘Klivia’. Dat had ze goed onthouden.

Als deze week de dochter op bezoek komt, wil ik toch eens vragen waarom mevrouw denkt dat ik familie ben. Nieuwsgierig als ik ben, dat snap je. Dochter begrijpt het wel. Moeder heeft een achterkleindochter, haar kleindochter, die Livia heet. Toen zij geboren werd en ze aan haar moeder vertelde wat de naam was, had ze meteen gezegd: ‘zo heet een zuster ook!’ Ze had de namen door elkaar gehaald, Lydia en Livia. Daarmee was ik als naam verbonden aan die van haar telg en vandaar dat ik bijna een plekje kreeg in de stamboom.

stamboom

Gisteravond zaten we aan de koffie met de bewoners. Mevrouw zat tegenover me. ‘Lydia heet jij’ zei ze terwijl ze me in de ogen keek. ‘Livia, Lydia…’ ze was het voor zichzelf aan het herhalen. ‘We waren bijna familie he?’ zei ik tegen haar. ‘Bijna wel!’ antwoordde ze met een twinkeling in haar ogen. ‘Nou, je zult er maar zo één in je familie hebben’ zei ze plagend en ze keek de andere bewoners veelbetekenend aan. Daar moest ik erg om lachen. ‘Dan was ik vast het zwarte schaapje’ flapte ik eruit. ‘Oh nee’, zei ze ineens heel serieus ‘dat zeker niet!’

(Geschreven: 3 mei 2019)

Voelborden

Afgelopen week hebben we met twee teams voelborden gemaakt voor onze bewoners. (pg, dementie). Gezellig bij ons in huis. Eerst samen gegeten en daarna aan de slag gegaan. Voelborden zijn houten platen waaraan van alles bevestigd wordt, waar onze bewoners aan kunnen voelen! Dat kunnen knopjes zijn, ritssluitingen, zachte stofjes, of kralen. Van alles wat!

voelbord 4 (3)

Het was waardevol om zo samen bezig te zijn. Niet alleen omdat we iets maakten voor onze bewoners. Ook omdat we dit met elkaar deden. Waar de ene collega op de bank de kraaltjes aan het rijgen was, was de ander aan het lijmen, ordenden anderen de spullen op het bord en timmerden weer anderen er op los (sorry buren). Ieder voor zich had spullen verzameld, bij elkaar werd het een mooi geheel.

Tijdens het maken van deze voelborden, kon ik het zelf ook niet laten om zo nu en dan even te voelen. Om het wieltje te laten draaien, het lichtknopje te beroeren en de zachte dweil te strelen.

voelbord 3 (2)

Als ik in een kledingwinkel loop en er hangen donzige truitjes aan het rek, dan moet ik er ook altijd even met mijn hand langs gaan. Zachte vachtjes onder bloempotten bij de bloemist of tuincentrum krijgen altijd een aai van mij.

Vroeger had ik een zachte knuffelhond. Hij ziet er nu echt heel belabberd uit, ik heb hem nog. Hij is nog wel steeds zo lekker zacht. Als ik die hond in mijn hand heb, dan weet ik weer hoe gelukkig ik als kind was met hem. Ik ging echt niet slapen zonder die hond. Die hond lag bij mijn hoofd. Dan deelde ik mijn verhalen, wat ik had meegemaakt. Of ik vertelde hem verhalen die ik zelf had bedacht. Hij luisterde altijd. Hij ving mijn tranen op in zijn vacht als ik moest huilen en ik hield hem stevig tegen me aan als ik bang was. Mijn knuffelhond, ik kon niet zonder hem. Hij was gewoon zo superzacht.

Dat is hopelijk het effect van onze voelborden. Dat we bewoners uitdagen om knopjes in te drukken, stekkers in een stopcontact te steken, wieltjes rond de laten draaien, te voelen aan de gele huishoudhandschoenen. Dat ze in hun onderbuik geraakt worden. Herinnerd worden aan beelden, aan verhalen, aan momenten. Getroost worden in de wirwar aan emoties doordat ze de zachtheid voelen van een stukje stof. Streling van je gevoel. Dat ze herkenning vinden in de spullen, dat ze voelen, dat ze ‘zijn’.

voelbord 1 (2)

Het was ‘toevallig’ dat we dit deden in de week van Zorg en Welzijn. Zorg is welzijn, en welzijn hoort bij zorg. Ik hoop dat de bewoners er gebruik van gaan maken en er iets mee kunnen.

Ik kom er graag naast staan en dan druk ik ook even stiekem de lichtschakelaar in. Nog een keer en nog een keer.

Gewoon omdat het leuk is!

(Geschreven: 16 maart 2019)

Beste André

Beste Andre,

Hoogst ongebruikelijk dat ik een blog naar iemand persoonlijk schrijf. Mijn collega opperde het en ik vond het wel een leuk idee. We hadden namelijk een stagiaire die totaal niet wist wie jij was. Daar waren wij als doorgewinterde Andre Rieu luisteraars uiteraard erg verbaasd over. Wie kent Andre Rieu nou niet?

Niet dat we ooit naar een optreden van jou zijn geweest en ik denk dat ik dat ook niet snel zal gaan doen. Dat is niet lelijk bedoeld. Volgens mij ben je een erg vriendelijke man. Het is alleen zo dat ik iets te vaak naar je muziek luister. Alle liederen van Strauss herken ik uit duizenden en dat allemaal door jouw muziek. Toen deze week het carillon van het gemeentehuis ook een ‘Straussje’ ten gehore bracht, gingen mijn haren rechtovereind staan. Ik had namelijk een vrije dag en muziek van Andre Rieu past daar niet in.

kopje (2)

Andre, op veel momenten ben ik wel heel blij met je. De bewoners van onze afdeling (afdeling voor bewoners met dementie) zijn dol op je optredens. Ze genieten van je vioolspel, van het orkest en de mooie jurken die de dames dragen. Ze zijn elke keer weer verbaasd over de hoeveelheid mensen die er te zien zijn op het Vrijthof en ze manen de anderen tot stilte als ze teveel geluid maken.

De dvd’s van Andre Rieu worden grijs gedraaid hier! We proberen ook wel andere dvd’s, maar niets haalt het bij jouw zwierige en uitgelaten concerten. Het is een feest op zich en onze bewoners genieten daarvan mee. Hoewel ik buiten mijn werk om geen ‘Andre Rieu’ kan horen, ben ik blij met je muziek. In plaats van te mopperen, zou een ‘dank je wel’ dus wel op zijn plaats zijn.

Jouw muziek brengt heel vaak rust in de groep van bewoners, daar waar het soms ook heel onrustig kan zijn. Dat momentje van rust, van met elkaar kijken en luisteren achter een kopje thee of koffie, dat zijn genietmomentjes. Ook voor ons als zorgverleners.

Ik vroeg het me af of je dat weet?

Ik zie op tv de pleinen vol staan met mensen die naar jou luisteren. Fans. Weet je wel dat er een grote groep mensen is die ook fan van je zijn? Ze kopen geen kaartje voor een optreden, ze staan niet op dat plein. Als je op de groep een kop koffie zou komen drinken (altijd welkom), herkennen ze je waarschijnlijk niet.

En toch…

Ik denk, ik weet wel zeker, dat jouw grootste fans onze bewoners zijn!

(Deze brief schreef ik 25 januari 2019 aan André Rieu. Onze bewoners zijn echt fan van zijn muziek).

Gek op de zorg!

Je moet wel gek zijn om in de zorg te willen werken. Het is hard werken. Je moet voortdurend extra werken, omdat er tekorten zijn. Je staat er alleen voor, je rent de benen uit je lijf en aan het einde van de maand is je salaris een schijntje vergeleken bij wat andere bedrijfstakken verdienen. De ORT (onregelmatigheidstoeslag) is niets meer vergeleken bij vroeger. Leuk die 4% salarisverhoging, maar het is maar minimaal. Minister Hugo de Jonge moet maar eens een dagje meewerken, maar eens ervaren hoe het er echt aan toegaat. Dan….

…ja wat dan?

Ik ben het gemopper een beetje zat. Ik lees het op Facebook op een forum, als reactie op positieve berichten uit Den Haag, over extra geld, een salarisverhoging. Iedereen heeft commentaar, niemand zegt: ‘dank u wel!’

Ik weet niet of het voldoende is, ik denk dat de tekorten in de zorg ook echt een probleem zijn en ook serieus aangepakt moeten worden. Dat los je niet alleen op met salarisverhoging. Ja, het is hard werken en ook zwaar en je hebt niet altijd voldoende tijd om de zorg te geven die je eigenlijk wel zou willen geven. Maar maken we het werken in de zorg zelf niet onaantrekkelijk door zo te mopperen en te klagen? Je zal wel gek zijn om nog voor de zorg te kiezen, als je al die frustraties leest.

Mijn vak is een mooi vak. Ik mag met mijn hart en mijn handen zorgen voor mensen die heel kwetsbaar zijn. Ik mag met mijn verstand nadenken over hoe we processen beter kunnen laten verlopen, ik mag nadenken over kwaliteit van zorg. Ik mag rust geven aan verwarde bewoners, ik mag de structuur geven als ze dat zelf niet meer kunnen. Ik mag nabijheid bieden door mijn hand op de hand van de ander te leggen, een aai over de wang: ‘Je hoeft niet bang te zijn, ik ben er!’ Ik mag dat laatste stukje zorg bieden als het sterven heel dichtbij komt.

20181010_122324

Mijn vak is mooi en ik ben er trots op dat ik werk in de zorg!

Ik weet niet of mijn salaris en dat van al die collega’s van mij in verhouding staat met wat we daadwerkelijk doen. Ik vermoed van niet, maar ik heb me in al die jaren dat ik werkzaam ben in de zorg er nooit mee bezig gehouden of dat niet wat meer moet zijn. Ik denk misschien wel te vaak: ‘Lekker belangrijk.’ Misschien ben ik wel te makkelijk daarin en zou ik meer van die vechtlust moeten bezitten. De barricades op!!!

Ik ben het gemopper zat en stiekem denk ik wel eens: ‘Ga dan lekker wat anders doen als het alleen maar kommer en kwel is.’

Dat is niet eerlijk van me. Ook tussen de regels van het geklaag en gemopper en de verwijten in, lees ik de woorden van mensen die hart hebben voor de zorg. Die niets liever willen dan tijd en ruimte en aandacht geven aan hun bewoners en cliënten. Die hard rennen en extra diensten draaien om de zorg maar door te laten gaan. Daar wil je ook waardering voor. Soms in salaris, maar misschien wel meer door meer hulp op de afdeling en soms is het gewoon fijn en belangrijk om te horen dat je werk wordt gewaardeerd.

20181010_121737

Gisteravond zat ik aan tafel en was met een medebewoonster aan het boontjes doppen. Ze vertelde dat ze morgen naar huis ging. Ik vroeg door en ze vertelde me over thuis, flarden uit het verleden. Ze dopte niet zo snel, het ging in haar eigen tempo. ‘Het is wel een werkje’ zei ze ‘maar als we het samen doen is het wel heel gezellig.’Gezellig was het zeker. Als ik het alleen had gedaan was het echt sneller gegaan, maar ik nam de tijd. Dat is een beetje ‘mijn barricade’ opgaan. Laat je niet gek maken, wees creatief, neem ook gewoon eens de tijd!

Terwijl ze na afloop haar handen waste zei ze: ‘Ja, ik ga dan wel morgen naar huis, maar ik zal het hier ontzettend missen, ik heb het hier altijd zo goed gehad.’ Dat zijn de momenten, summier en klein, maar al die momenten bij elkaar maken het werk waardevol.

Vliegen, draven, zuchten, tot tien tellen, Zo gaat het vaak in de zorg, ik weet het. Maar kom op…zullen we nog wel trots blijven en zijn op ons vak?

(Geschreven: 10 oktober 2018)

Koperpoets en bijenwas

‘Nu denk ik aan mijn moeder’ zei ze en ze lachte. We hadden oude gebruiksvoorwerpen op tafel liggen, ik poetste koper en de buffetkast was ingewreven met bijenwas. De bewoners op mijn groep genoten er zichtbaar van. De functie van diverse voorwerpen werd me fijntjes uitgelegd. Het petroleumstel, de oude naaimachine, de stoof en de koffiemolen. Het toverde een glimlach op de gezichten.

De bijenwas deed denken aan vroeger en de sterke geur van de koperpoets haalde herinneringen naar boven. ‘Nu denk ik aan mijn moeder, die deed dat ook. Dan moest ik helpen in de winkel. Want kijk, mijn vader had een manufacturenwinkel….’ Zo kwamen verhalen tot leven, flarden verleden door geur naar boven gehaald.

Dat doen geuren. Als ik boenwas ruik, ben ik ook terug in het grote huis waar ik ben opgegroeid. Als de tafels en kasten waren ingewreven, een doekje met bruine vlekken in een rood mandje. Ik ben op Ameland als ik rozenbottels ruik. Die groeiden volop langs de weg waar ons vakantiehuisje stond. Het weggetje waar ik leerde fietsen. Zeelucht, lavendelgeur, de geur van gemaaid gras, het roept beelden op. Een foto in mijn hoofd, een mooie gedachte en soms ook iets waar ik liever niet aan herinnerd word.

Geuren roepen beelden op en beelden vormen verhalen. In de zorg verspreiden we ook wel eens zo’n geurtje rond. Alsof het enkel werkdruk is, onnodig schrijfwerk, protocollen en lijstjes. Alsof we niet toekomen aan waar het in de zorg eigenlijk om draait. Dat stukje aandacht en zorg. Hard werken is het zeker en soms is het hectisch en wordt er veel van je gevraagd. Soms moet je ook het een en ander loslaten en het gewoon even anders doen.

Dus pakten wij vandaag de poetsspullen. ‘Dat heb ik jou nou nog nooit zien doen’ zei een bewoonster iets te bijdehand. Alsof ze doorhad dat ik gele rubberen handschoenen niet wekelijks draag en poetsen zeker niet mijn hobby is. Ze keek keurend hoe ik de boenwas over de kast wreef. Ik kreeg geen commentaar. We hadden een gezellig uurtje onder het genot van een kop koffie. Het geurtje op onze afdeling, was een geur vol nostalgie.

20180323_203728

‘Nu denk ik aan mijn moeder’ ze zei het zo spontaan en blij. Dat geurtje van de zorg, die mooie momenten van aandacht en contact, is de geur die zoveel fijner ruikt dan al die geuren van gemopper en geklaag. De geur van een glimlach die ineens verschijnt, van rust en oogcontact is een geur dat ik prettig vind om op te snuiven.

Koperpoets en bijenwas. Onze afdeling rook er helemaal naar.

Mooi moment vandaag!

(Geschreven: 23 maart 2018. In vind dit zo leuk om te doen!)

Verdwaald

Aan de arm van een buurtbewoner kwam ze onze zorginstelling binnen. Mevrouw was wat verward en ze wilde de drukke weg oversteken. Omdat buurtbewoner het niet vertrouwde nam ze haar mee naar ons. Mevrouw woonde hier echter niet. We hebben haar een kop koffie gegeven. Terwijl een collega probeerde iets meer van mevrouw te weten te komen, belde ik de politie.

Mevrouw was heel vriendelijk en ze vond het maar wat fijn dat ze nu lekker warm bij ons zat. Na een tijdje kwamen er twee agenten binnen. Waar wij al pratend iets meer over mevrouw wisten, haalde meneer agent met een druk op de knop haar adres naar boven. ‘Tja mevrouw’ zei de andere agent ‘u moet natuurlijk wel altijd uw identiteitsbewijs bij u hebben!’ Vol verbazing keek ik deze agent aan. Het was toch overduidelijk dat deze mevrouw daar niet aan had gedacht toen ze op stap was gegaan. Het was al dieptriest dat mevrouw zo verward en gehuld in haar verleden, zo’n eind had gelopen. Zoekende de weg, verdwaald geraakt. Natuurlijk had deze agent wel gelijk, maar het was zo misplaatst in deze situatie.

img_0389

Zo gaan wij als mensen ook vaak met elkaar om. Onbewust. Zoveel mensen zijn verdwaald in hun gevoelens, hun zorgen en verdriet. Verdwaald in relaties, in geloof en vertrouwen en in hoop op een betere toekomst. Dan wijzen we de weg met de geijkte teksten en bieden we troost door vooral het positieve aan te raken. ‘Tel je zegeningen…’ wordt vaak gezegd, terwijl je al tellende juist de grenzen had bereikt.

Als jij verward bent en gevangen zit in je verdriet en angst, is de hand op je schouder een steun in de rug. Is het fijn als er iemand is die je aanspreekt en je vraagt of je hulp nodig hebt. Is het soms alleen maar nodig dat er koffie wordt gezet en je de warmte mag voelen van aandacht en een luisterend oor. In een gebroken wereld ligt er geregeld wat aan scherven.  Daar mag je als medemens voorzichtig mee omgaan. Gevouwen handen omsluiten de pijn, opgeheven vingers benadrukken de scherpe randen.

Deze mevrouw mocht met de agenten mee. Zij brachten haar weer thuis. Ze keek eerst wel angstig. Hoezo meegaan met twee agenten? Ik liep met haar mee tot aan de auto. Zo aan mijn arm durfde ze wel.

Je hoeft als medemens soms alleen maar iemand aan de arm mee te nemen. Gewoon even naast iemand zitten en staan. Luisteren zonder oordeel. Een klein beetje warmte in een web vol verwarring.

Naast wie sta jij vandaag?

(Geschreven: 16 november 2016 nadat een mevrouw verdwaald was en het verpleeghuis binnenwandelde.)

Ik waardeer je

‘Ik waardeer je.’ Met die zin moedigt Actiz de medewerkers in verpleeghuizen vandaag aan. Als hart onder de riem naast alle negatieve geluiden die rond gaan in de actualiteit. Hebben we dat nodig? Nou misschien wel.

De zorg is een mooi vak. Ook de zorg die we bieden in verpleeghuizen. De liefdevolle zorg waar de politiek het graag over heeft, geeft een beetje een Florence Nightingale gevoel. Beetje te teder, gezien de dagelijkse realiteit. Zorgzaam zijn we natuurlijk wel, en een groot geduld is zeker een voordeel.

image

We mogen zorg leveren aan kwetsbare ouderen. Kwetsbaar in hun vermogen om zelfstandig te zijn. Kwetsbaar in hun naaktheid, in de broosheid, in de vergeetachtigheid. Ook kwetsbaar in het onbegrip, het niet begrijpen van de situatie en de omgeving waar ze zich in bevinden. Kwetsbaar in hun boosheid.

Op mijn afdeling met bewoners met dementie besef ik dat des te meer. Toevertrouwd aan jouw zorg, afhankelijk van handen van buitenaf. Dat vraagt om kwalitatief goede zorg, om liefdevolle zorg. Dat is zoveel meer dan alleen het volgen van protocollen, hoe waardevol ze ook zijn. Zoveel meer dan alleen het verschonen, de wisselligging en het omgaan met onbegrepen gedrag.

‘Ik waardeer je’ een mooie zin om vandaag te lezen op social media. Bedoeld voor medewerkers in de verpleeghuiszorg. Bedoeld als compliment, dus ik neem het dankbaar aan. ‘Ik waardeer je’ is ook een zin dat me aan het denken zet.

Kwaliteit en liefdevolle zorg kan niet zonder de waardering voor de ander. Naar de ander kijken en in die persoon een mens van waarde zien. ‘Ik waardeer je’ ook als je ‘mijn’ bewoner bent voor wie ik zorgen mag.

(Geschreven: 19 juli 2016 n.a.v. Actiz die de medewerkers een hart onder riem stak met de zin: ‘Ik waardeer je’)

Dwaalbos

Ze stonden beiden klaar bij de deur, de jas aan, van plan om te gaan wandelen. De zon scheen immers. Het grote probleem was alleen de gesloten deur. Bewoners van mijn groep, kunnen niet zelfstandig van de afdeling af. Dat is frustrerend, zelfs een heel groot balkon helpt niet altijd om ze af te leiden. Nou ja, vaak wel. Tijdschriften, een kop thee en zelfs aardappelen schillen doet wonderen.

‘Zou jij toch ook niet leuk vinden’ zei de ene tegen mij, terwijl ze haar jas maar uitdeed. Nee zou ik ook niet leuk vinden.  Ik legde haar uit dat ze anders misschien de weg zou kwijt raken. ‘Ik verdwaal echt niet…..’ Daar kauwde ik over na.

IMG_5764 (2)

Wat zou het mooi zijn als instellingen standaard een grote tuin hebben, waar je gewoon kan wandelen. Waar je ongestoord kan genieten van geuren en kleuren, waar je kan wroeten in de aarde als je daar zin in hebt. Een dwaalbos, waar je al dwalend niet kan verdwalen en toch buiten bent. Wie wil dat niet?

Ik wel. Als ik voel dat ik klem zit tussen afspraken en verplichtingen, als ik zoveel meer wil en dat niet lukt. Gewoon even ronddwalen. Mijn mijmeringen aan de bomen toevertrouwen en zeker weten dat het bij hen wél veilig is. Zo opgaan in de kleuren dat ik tijd vergeet, de vragen en de onrust even kan achterlaten. Op adem komen. Zonder afspraak, op ieder moment. Dwalen zonder te verdwalen, want dat kan in het dwaalbos dat ik voor ogen heb.

Dus niet alleen dat Houten huisje aan zee, nu ook nog een dwaalbos. Misschien toch tijd om mijn dromen in de kast te leggen. Misschien schiet ik teveel door. Dus maar weer terug naar de realiteit. Realiteit van alledaagse dingen, waar je op je eigen manier je plekje hebt. Een plekje in het hier en nu.

‘Zou jij toch ook niet leuk vinden?’ ze keek me ietwat verwijtend aan. Ik keek haar aan en kon alleen maar toegeven dat ze gelijk had. Ik kan overal dwalen, als ik mezelf de rust maar zou gunnen. Zo’n dwaalbos heb ik daarvoor niet nodig. Mijn bewoners, onze bewoners, gun ik het echter zoveel meer!

(Geschreven: 23 mei 2016. Inmiddels zijn de deuren niet meer dicht van de afdelingen en hebben bewoners geen dwaalbos, maar wel meer bewegingsvrijheid)

Werken in de zorg (of bij de bakker)

‘Waarom wil je in de zorg werken?’ vroeg mijn begeleider tijdens een stage. Ik zei meteen:’omdat ik graag met mensen wil omgaan!’ Ik had beter wat langer kunnen nadenken, want mijn begeleider antwoordde direct: ‘ Dan kan je net zo goed bij de bakker achter de toonbank gaan staan.’

Ik heb het altijd onthouden. Het is een vraag geworden die ik zelf ook wel eens stel aan stagiaires. ‘Waarom wil je werken in de zorg?’

Mijn kinderen vragen het zich ook af. Als ze wel eens meegaan naar mijn werk, kijkt het ene kind de ogen uit, de ander vindt het maar vreemd en eng. Bewoners die steeds weer hetzelfde aan je vragen, die je aanraken, die amper kunnen praten, of bewoners die niet begrijpen waarom ze hier zijn. Verhalen over wonden, ontlasting en vage ziekten, zijn ‘not done ‘ volgens de meerderheid hier in huis. ‘Waarom wil jij werken in de zorg?’

Vandaag had ik een vroege dienst. We hielpen een bewoner. Puur afhankelijk van andere handen. Geen besef van tijd, geen lijn in de verhalen, geen mogelijkheid om de stappen zelf te zetten. Samen met een collega verzorgden we haar. ‘Wat moeten ze toch zonder ons?’ zei ze, zonder dat er sprake was van vragen om een schouderklop. Gewoon dat gevoel uitsprekend dat je wel eens overvalt als je de hulpeloosheid aantreft.

‘Zonder ons, moeten de kinderen zorgen’ zei ik. ‘Als die er dan niet zijn?’ vroeg mijn collega, ineens heel serieus. ‘Tja, dan zijn de buren aan de beurt’ zei ik maar. We zorgden samen verder.

Juist in het kwetsbare, wil ik zorgen. Waar lijden is, waar leven broos is en gebroken en waar gedachten vervagen. Waar de vragen zijn, de pijn, de twijfel, de kleinheid zomaar bovenkomt. Dat kan op heel veel manieren en op heel veel gebieden. Ik ben blij dag ik dat vorm mag geven in de zorg….en niet bij de bakker. Hoe leuk dat misschien ook is.

Ik pak haar hand, ik strijk de lakens glad. Het is eigenlijk niet de vraag waarom je wil werken in de zorg. Mijn vraag zou zijn: ‘Waarom niet?’

(Geschreven: 15 maart 2016)

Zinloos werk?

Terwijl ik naast zijn bed zit, kom met vla in mijn hand, overvalt me ineens die vraag: ‘ Is mijn werk zinloos?’

Hij spreekt nog amper, soms een klank, soms een woord. Hij zit soms in zijn rolstoel, maar meestal ligt hij in zijn bed. Wisselligging, eten geven, wassen op bed. Als het kan, gaat hij onder de douche. Daar geniet hij zichtbaar van.

Ik aai zijn wang, ik masseer zijn dunne handen. Smeer een geurtje in zijn hals, dat ruikt lekker. Nu zit ik hier, kom met vla in mijn handen. Elke keer als ik de lepel naar zijn mond breng, gaat zijn mond haast automatisch open.

‘Als ik zo oud moet worden, hoeft het van mij niet meer. Wat voor zin heeft dit?’ een opmerking die je wel eens hoort. Ik hoor ze ook wel eens van bezoek, dat machteloos bij een bed staat. Ergens begrijp ik die opmerking wel, en toch…

Hier ligt iemand met een verleden. Actief betrokken geweest bij zijn gezin en bij zijn werk. Zwart-wit foto’s tonen beelden uit een verleden, waarin het allemaal niet zo wazig was. Beelden van personen die betrokken waren bij elkaar en die niet stilstonden bij een toekomst van flarden van gedachten en staren naar het raam.

Bewoners zijn meer dan wat het hier en nu ons vertelt. Het verleden dat zij zijn vergeten, breng je dagelijks tot leven. Door alledaagse dingen, door het eten en het drinken. Door het geurtje in de hals, door het kammen van het haar. Door muziek en door verhalen. Door het vasthouden van een hand en door het noemen van hun naam.

Doe ik zinloos werk? Ik vroeg het me ineens af. Zo ervaar ik dat niet. Ik wist het antwoord ook eigenlijk wel.

(Geschreven: 19 januari 2016)