Zorgend

Twee poppen liggen op haar arm. Een jongen en een meisje. Levensecht bijna. Ze wiegt ze op haar arm. Het jongetje is kaal, althans zo lijkt het. Het meisje heeft echter veel hoofdhaar. Aaibaar. Mevrouw streelt geregeld met haar vingers erover heen en strijkt vervolgens heel lichtjes over de blosjes op de wangen van het meisje.

Foto: A. Bruinsma

‘Heeft ze dat van haar moeder, die dikke bos haar?’ vraag ik aan mevrouw. ‘Nee’ zegt ze stellig ‘moeder had dat niet’. Ze knuffelt de beide poppen en ze zucht ook. Twee van die poppen op je arm zijn best zwaar. ‘Zullen we samen zingen voor ze?’ vraag ik en dan zetten we samen ‘slaap kindje slaap’ in. De bewoonster naast me kijkt me verbaasd aan, terwijl het ontbijt nog voor haar op tafel staat. Dan lacht ze toch en ze neuriet zachtjes mee.

Ik zie haar meestal lopen. Heen en weer, buiten in de tuin. Ze probeert of het tuinhek open kan, maar het tuinhek zit dicht. Dan loopt ze weer haar vaste rondje, tot ze ons weer glimlachend passeert en een volgende ronde begint.

Ze wil graag zorgen. Ze schenkt de koffie in, maar wél op haar manier. Kopje op een schotel waar een lepeltje op drijft. Ze wast de borden af en als je niet uitkijkt staat daarna alles weliswaar netjes in de kast, maar plakken de aardappelresten er nog aan. De planten krijgen volop water, zelfs de kunstbloemen komen niets tekort in deze woning. Ze werpt je haar zakdoek toe als je morst op tafel en ze buigt zich ongevraagd over je heen, om je kraagje glad te strijken.

In haar zorgen zit haar rust. Zo lijkt het. Alsof ze er dan grip op heeft. In het niets doen, zit een leegte waar ze geen vat op heeft. Het ritme van de dag, die heeft ze niet zelf meer in de hand. Sterker nog, de tijd deelt ze met anderen. Die prikkelen haar om te zorgen, die wijzen het vaak ook af. Zo dwaalt ze rondjes, in haar gedachten en in de stappen die ze zet.

Nu zit ze echter. Ze kan geen koffie schenken, ze kan de tafel niet afnemen, ze kan haar medebewoonster niet wakker schudden, die dommelend naast haar zit. Op haar arm liggen twee poppen en ze kiest er zelf voor om te blijven zitten. Voor de poppen op haar arm, die slapend op haar arm lijken te liggen. Voor even is de rust niet ongrijpbaar, voor even heeft de rust een plekje in haar gevoel.

Zo rustig zittend. Zo zorgend. Zo in haar element.
Mooi moment.

Zinloos werk?

Terwijl ik naast zijn bed zit, kom met vla in mijn hand, overvalt me ineens die vraag: ‘ Is mijn werk zinloos?’

Hij spreekt nog amper, soms een klank, soms een woord. Hij zit soms in zijn rolstoel, maar meestal ligt hij in zijn bed. Wisselligging, eten geven, wassen op bed. Als het kan, gaat hij onder de douche. Daar geniet hij zichtbaar van.

Ik aai zijn wang, ik masseer zijn dunne handen. Smeer een geurtje in zijn hals, dat ruikt lekker. Nu zit ik hier, kom met vla in mijn handen. Elke keer als ik de lepel naar zijn mond breng, gaat zijn mond haast automatisch open.

‘Als ik zo oud moet worden, hoeft het van mij niet meer. Wat voor zin heeft dit?’ een opmerking die je wel eens hoort. Ik hoor ze ook wel eens van bezoek, dat machteloos bij een bed staat. Ergens begrijp ik die opmerking wel, en toch…

Hier ligt iemand met een verleden. Actief betrokken geweest bij zijn gezin en bij zijn werk. Zwart-wit foto’s tonen beelden uit een verleden, waarin het allemaal niet zo wazig was. Beelden van personen die betrokken waren bij elkaar en die niet stilstonden bij een toekomst van flarden van gedachten en staren naar het raam.

Bewoners zijn meer dan wat het hier en nu ons vertelt. Het verleden dat zij zijn vergeten, breng je dagelijks tot leven. Door alledaagse dingen, door het eten en het drinken. Door het geurtje in de hals, door het kammen van het haar. Door muziek en door verhalen. Door het vasthouden van een hand en door het noemen van hun naam.

Doe ik zinloos werk? Ik vroeg het me ineens af. Zo ervaar ik dat niet. Ik wist het antwoord ook eigenlijk wel.

(Geschreven: 19 januari 2016)

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag