‘Daar brandt geen licht’

‘Aan de binnenkant van mijn ogen, daar brandt geen licht’ zei ze wat verdrietig. Ik moet nog vaak denken aan die uitspraak. Ze had die nacht wakker gelegen en toen ik op haar kamer kwam, wilde ze graag dat ik nog even bij haar bleef. Dus ging ik naast haar zitten op haar bed. Ze hield mijn hand vast, gaf aan dat ze bang was en het was voldoende dat ik er was.

Zo zaten we een tijdje. Zwak licht van de schemerlamp, stilte en rust en zij bijna bedekt door een warme deken. Dat leek zo veilig en geborgen, maar blijkbaar was de nacht lang en was ze bang. Ze kon zich niet goed overgeven aan de rust, ze voelde niet de veiligheid om te gaan slapen.

‘Als ik mijn ogen sluit…’ tja en wat dan? Dan komen de dromen, de gedachten, het onderbuikgevoel dat opborrelt in de nacht. Ik kan ze niet vangen, ik begrijp niet altijd de flarden. Ik zie wel dat ze er zijn. Waar zit je met je gedachten? Waar ben je bang voor? Wat doet de nacht met jou? Ben je bang voor de beelden, of is het dieper, gaat het dieper dan dat?

Donker doet iets. In het donker is het leven minder grijpbaar. In het donker ben je alleen, is het stil op je eigen hartslag na en het tikken van de klok.

‘Ga maar slapen, bekijk de binnenkant van je ogen maar’ zei ik tegen haar. Ik moest verder, ik kon niet de hele nacht bij haar blijven. Andere bewoners belden, ik moest verder met mijn ronde. ‘Bekijk de binnenkant van je ogen maar’ en ik zei het met een glimlach. Bewoonster keek me niet lachend aan. Integendeel. Ze keek verdrietig en zei: ‘Aan de binnenkant van mijn ogen, daar brandt geen licht.’

Het ging niet om de schemerlamp, de warme deken en het tikken van de klok. Mijn hand in de hare, dat gaf gevoel van nabijheid, maar hield het donker niet op afstand. Misschien een beetje, het schoof haar bange dromen even aan de kant. Met het sluiten van haar ogen, was de angst weer levensgroot. De angst om te slapen en te vechten tegen de onzekerheid dat je misschien nooit meer wakker wordt.

Dat doet de nacht.

‘Bekijk de binnenkant van je ogen maar’ ik moet geregeld aan haar uitspraak denken. Ik zal dat niet zo snel meer zeggen, want dan denk ik aan het licht dat daar niet brandt. Als ik hoor van bewoners die bang zijn, juist ’s nachts, die niet goed slapen en onrustig zijn, dan denk ik wel altijd: ‘Was er maar een lichtje. Kon ik je maar een lichtje geven aan de binnenkant van je ogen, die je rust geeft in de nacht.’

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag