‘Gingen jullie vroeger op vakantie?’ ik stel de vraag terwijl we koffie drinken. Aan tafel zitten bewoners met dementie. Voor mij ligt een boek dat gaat over vakantie. Mevrouw Smit vertelt dat ze heel veel landen met haar man heeft bezocht. Het liefst gingen ze richting Italië en dan gingen ze altijd met de caravan. Haar ogen kijken meteen blij als ze de herinneringen naar boven haalt

‘Wij gingen graag naar de bergen’ zegt mevrouw de Vries. Dan gingen we wandelen, maar in de winter gingen we met het hele gezin skiën. Ze kijkt dromerig voor zich uit en is dan stil. Ze wiegt heen en weer in haar rolstoel.
Ik kijk de tafel rond. Meneer Petersen vindt het moeilijk om uit zijn woorden te komen, maar als we samen de platen in het boek bekijken, glimlacht hij. ‘Wij gingen vroeger naar Ameland’ vertel ik. ‘We zaten dan in een huisje. Ik heb nog nooit gekampeerd’ zeg ik. Mevrouw Smit kijkt me meteen verbaasd aan. ‘Heb je nog nooit gekampeerd’ zegt ze verbaasd en dan vertelt ze hoe ze vroeger met haar ouders op vakantie ging. Haar vader had zelf een tent gemaakt, van oranje stof.
Het is een gezellig moment aan tafel. Mooie herinneringen worden gedeeld en ik heb de platen in het boek niet nodig om de vakantiebeelden naar boven te halen. We zijn met elkaar in gedachten de plekken langsgegaan waar we ooit onze vakanties vierden. We waren weer even aan het strand, in de bergen of in het bos.
Niet lang daarna is mevrouw de Vries onrustig. Haar wiebelen in de stoel is overgegaan in het uit de rolstoel willen stappen. Ze lijkt geïrriteerd. Misschien is ze moe?

Het duurt even voor ik me realiseer wat er echt aan de hand is. Mevrouw de Vries vindt het net als de andere bewoners leuk om te praten over haar vakanties. Tegelijk haalt het ook iets anders naar boven. , namelijk de kwetsbaarheid waar ze nu in zit en waar ze zich ook nog deels bewust van is. Haar herinnering is tegelijk een wens die niet meer haalbaar is.
Een aantal weken later tref ik mevrouw onrustig aan op de groep. Ze is alsmaar aan het roepen en ik besluit haar mee te nemen naar beneden. Ik zet haar met de rolstoel bij het fietslabyrint. Al fietsend zie je op het scherm een locatie. Virtueel kan je bijvoorbeeld door je eigen stad of dorp fietsen. Ik heb een locatie in Oostenrijk ingesteld. Terwijl ik fiets, kijkt zij.

Als ik naar haar kijk, zie ik dat de onrust weg is. Er lijkt een glimlach op haar gezicht te zijn. In beeld zijn de bergen zichtbaar. Weer kijk ik en nu zie ik dat ze huilt. Tranen rollen over haar wangen. ‘Had ik dit beter niet kunnen doen?’ bedenk ik me. Ik rem af, maar mevrouw pakt mijn hand beet en ze knijpt er even in. Alsof ze me wil aanmoedigen om door te fietsen.
Voor heel even is ze in de bergen. Ze wordt niet belemmerd door haar kwetsbaarheid en onvermogen om te lopen. Ze is daar écht. Een uitstapje in de bergen. Ze geniet volop.
(Foto’s: Zahra Scheringa)
