Twee vliegen en een glimlach

De vlieg cirkelt steeds om hem heen. Soms landt hij op zijn hand, soms op zijn hoofd. Dan verstopt hij zich tussen de grijszwarte golven haar, nog een beetje vochtig van de  douchebeurt. Even later schiet hij weer alle kanten op, om vervolgens opnieuw zijn hand op te zoeken.

De vlieg is volop vlieg, maar irritant is het wel. Het leidt af van het gesprek dat we proberen te voeren. Meneer zit naast het raam; ik zit tegenover hem op een kruk. Door zijn ziekte kan hij moeilijk uit zijn woorden komen en ik heb alle aandacht nodig om hem goed te kunnen verstaan. De vlieg leidt ons af. Zelf de vlieg wegjagen kan hij niet, omdat hij zijn armen amper kan bewegen. Zijn ogen volgen de vlieg nauwkeurig, totdat het kleine beestje een plek vindt op het raam.

We pakken het gesprek weer op, tot er een tweede vlieg op zijn schouder neerstrijkt. Met mijn hand zwaai ik hem weg. ‘Ze moeten u wel hebben’ zeg ik lachend.  ‘Dat komt omdat u zo lekker ruikt van het douchen’ voeg ik eraan toe. Hoewel we een serieus gesprek hebben, schiet meneer zichtbaar in de lach.

We laten de vliegen hun gang maar gaan, terwijl we verder praten. ‘Wil je doden…’ zegt meneer plotseling, hakkelend. Ik kijk hem verbaasd aan, verrast door de wending. Hij doelt op de vliegen en hij knikt met zijn hoofd richting de tafel. Daar ligt een rode vliegenmepper.

Daar zit ik dan: pratend, maar ondertussen loerend op de twee indringers. Ze lijken de dreiging te voelen, want ze blijven zich verschuilen tussen zijn haren. Ik heb niet de moed om op zijn hoofd te slaan.

Voor iemand die nu binnenkomt moet het een vreemd gezicht zijn: een bewoner in een rolstoel en vlak daarvoor een zorgmedewerker op een kruk met de vliegenmepper in de aanslag. Het is grappig en tegelijk raakt het me. Hij is op zoveel manieren afhankelijk geworden van anderen: zichzelf verzorgen lukt hem niet meer, zijn eten moet hem gegeven worden. Voor het wegjagen van deze vlieg heeft hij anderen nodig. In dit geval zijn de ogen hoopvol op mij gericht.

Er heerst een serene stilte in de kamer, terwijl we allebei geconcentreerd volgen waar de twee vliegen zijn gebleven. Waar we net nog uitvoerig spraken over lichamelijke belemmeringen en een poging waagden om het te hebben over wensen en zingeving, zijn we nu allebei gefocust op één ding: de vlieg.

Dan landt één van de vliegen op de armsteun van de rolstoel. Hij kijkt ernaar, ik kijk ernaar. De vliegenmepper gaat langzaam omhoog. Meneer moedigt me aan met zijn ogen; ik zie zelfs pretlichtjes verschijnen.

‘Pats’ de vliegenmepper daalt neer op de vlieg.

Hij geeft me een knipoog. Missie geslaagd.

Zin in chocolade

‘Heb jij chocolade?’ mevrouw Hendriks loopt me tegemoet op de gang. ‘Heb jij chocolade?’, vraagt ze nog eens, terwijl ze me smekend aankijkt. ‘Ik heb zó’n zin in chocolade’ voegt ze eraan toe, alsof ze wil benadrukken hoe hoog de nood is.

Mevrouw Hendriks is een mooie statige dame. Soms komt ze even naast me zitten en dan vraagt ze wat ik aan het doen ben. Als ze opstaat legt ze haar hand op mijn hand en wenst ze me een goede dag toe. Ze weet zelf niet zo goed wat ze moet doen en dus loopt ze de gang op. Heen en weer.

Ik heb helaas geen chocolade bij me en omdat ik bezig ben met andere dingen, heb ik ook even niet zoveel tijd voor haar. Ik vertel haar dat ik straks wel even ga kijken en voor nu neemt ze daar genoegen mee. Ze loopt weer naar het andere eind van de gang.

‘Ik heb zó’n zin in chocolade’ ja dat gevoel ken ik wel. Niet zozeer bij chocolade. Soms is het een dropje zijn. Of ineens een portie kibbeling zodra je de geur van vis ruikt op de markt. Ik heb de vrijheid om gewoon maar te kopen waar ik zin in heb en om uit de keukenkast te pakken wat ik wil.

Bewoners zijn meestal afhankelijk van dat wat de zorgmedewerkers ze aanbieden. Als je ineens in je hoofd hebt dat je zin hebt in chocolade, kan die reep nog zo helder voor je liggen in je gedachten, daarmee proef je hem nog niet.

Ik heb haar afgeleid door te zeggen dat ik er straks naar zal kijken. Doe ik dat ook echt? Nee, de ervaring leert dat het geregeld gezegd wordt om iemand af te leiden, om de gedachten uit de onrust te halen. Mevrouw Hendriks is na een wandeling door de gang waarschijnlijk al vergeten dat ze zo’n zin had in chocolade.

‘Wil je een chocolaatje?’ een vrijwilliger komt op me af met een bordje waarop een aantal chocolaatjes liggen. Ik glimlach. Zou mevrouw Hendriks die gezien hebben? Zou dat haar getriggerd hebben, zoals debvislucht op de markt mij aanzet om een portie kibbeling te halen? Hoe dan ook: ik kan nu wel mijn belofte waarmaken. ‘Mevrouw Hendriks wil dat wel, die heeft zin in chocolade’ en de vrijwilliger draait zich om en loopt naar haar toe.

‘Wilt u een chocolaatje?’ vraagt ze. Mevrouw Hendriks kijkt naar het bordje en neemt er één. ‘Dank u wel’ zegt ze en op haar gezicht zie ik een grote glimlach verschijnen. Van oor tot oor.

Ik loop terug naar mijn bureau. Stiekem heb ik spijt dat ik het aanbod om een chocolaatje te pakken heb afwezen. Inmiddels heb ik ook wel zin in chocolade.

Lepeltje rechts

‘Lepeltje rechts, koekje en suikerzakje links met het merk naar boven’ ik hoor het mijn leidinggevende nog zó zeggen op de dag dat ik werd ingewerkt. Ik ging werken in een zorghotel. Mijn eerste baan na mijn studie. Patiënten vanuit verschillende afdelingen kwamen daar herstellen, ondergingen zorg, behandelingen of onderzoek of kwamen daar om te bevallen of de kraamtijd door te brengen. Dit alles in een hotelsetting. Behoorlijk klant-en servicegericht.

Als verpleegkundige coördineerde je de zorg, voerde je verpleegtechnische handelingen uit , maar was je ook alert op klantvriendelijkheid. Vóór een opname controleerde je de kamer. Ook dat liet mijn leidinggevende me zien. Lag de sprei mooi glad, de folders op het tafeltje zonder ezelsoren en doen de lichten het? Tenslotte werd me geleerd om altijd achterom te kijken voordat ik de kamer verliet. Zo wist je zeker of het echt op orde was.

Zo dus ook het serveren van een kop koffie. Alles moest er netjes uitzien en uiteraard liep je nooit zonder dienblad met het kopje koffie naar de patiënt. ‘Kijk’ zei ze dan ‘als dit niet netjes is, wat zegt dat dan over de zorg?’

Inmiddels werk ik al veel jaren in het verpleeghuis en lijkt het werken in het zorghotel ver achter me te liggen. Het verpleeghuis is een andere voorziening dan het zorghotel en in heel veel opzichten niet met elkaar te vergelijken. Qua doelgroep niet, qua zorg niet. Daar komt bij dat de zorg van toen niet te vergelijken is met nu. Waar je toen veertien dagen kon verblijven in het zorghotel om te herstellen van een heupoperatie, word je tegenwoordig na een paar dagen ontslagen uit het ziekenhuis.

Tijden veranderen. In het verpleeghuis merken we dat ook. De zorgzwaarte is behoorlijk gestegen, de werkdruk wordt als hoog ervaren en we hebben te maken met personeelstekorten. We willen als zorgverleners graag meer doen, maar lang niet altijd is dat mogelijk. Dat geeft een onvoldaan gevoel. Geregeld hoor ik collega’s verzuchten dat ze het gevoel hebben dat de kwaliteit naar beneden gaat en dat ze bewoners tekort doen in zorg en aandacht.

In die werkelijkheid is het werken in het zorghotel iets uit een andere wereld. ‘Lepeltje rechts, koekje en suikerzakje links…’ waar gaat het over, denk je nu.

Ja, waar gaat het over?

In het verpleeghuis zijn we druk. Het is een feit, dat het niet meer lukt zoals vroeger. Dat beseffen veel bewoners ook. Ze merken dat zorgverleners druk zijn, dat ze niet altijd op de gewenste tijd geholpen worden. In de gesprekken met bewoners beluister ik hun frustratie en hun zorg. Tegelijk proef ik het begrip én vooral hun wens om een klein stukje aandacht.

Aandacht, dat zit in het praatje tijdens het wassen, het grapje tussendoor, de arm op de schouder en de parfum die je niet vergeet te spuiten achter het oor. Het binnenwandelen in de huiskamer en dat je de bewoners groet die daar samen koffiedrinken. Die blik naar achteren over je schouder voordat je de kamer verlaat. Is het netjes? Ligt de bewoner goed in bed? Nog even een glimlach: ‘Dag hoor, fijne dag!’

Kost het veel meer tijd?

Als ik daarover mijmer denk ik geregeld: ‘Lepeltje rechts, koekje en suikerzakje links.’

Wie was hij?

Tijdens mijn stage in het ziekenhuis werkte ik op de afdeling vaatchirurgie. Een leerzame stage. Ik kan me met name de patiënten herinneren die een amputatie hadden ondervonden van een onderbeen of van een voet.

Het aanleren van de technische handelingen stond op de voorgrond tijdens deze stage. In de psychiatrie en gehandicaptenzorg kwamen bijvoorbeeld infusen niet voor. De stage in het ziekenhuis was daar heel geschikt voor. Zo ook het verzorgen van wonden. Dat kon ik volop leren op deze afdeling.

Eén patiënt verbleef daar al de tijd dat ik daar stage liep. Hij lag op een kamer alleen en had een wond aan zijn onderbeen. Geen kleine, nee een hele diepe wond over bijna de gehele lengte van zijn onderbeen. Elke dag moest deze wond uitgespoeld worden en opnieuw verbonden worden.

Veel collega’s schoven deze taak naar mij toe, omdat het tijdrovend was. Ik vond dat niet erg. Het was een secuur werkje. Eerst met een pincet al het verbandmateriaal uit de wond halen, daarna spoelen en vervolgens opnieuw verbinden.

Deze patiënt is me bijgebleven. Hij lag daar maar op zijn kamer, was heel kalm en beheerst aanwezig en keek rustig toe terwijl ik bezig was. Zijn handen samengevouwen, berustend. Ik kan hem voor je uittekenen, zo goed is hij in mijn geheugen blijven hangen. Ik kan de geur van het spoelmiddel oproepen. Ik kan het voldane gevoel bij me naar bovenhalen dat ik had bij het zien van het effect van de verzorging op de genezing. Langzaam, maar toch…

Toch mist er wat. Iets waar ik toen minder in meegenomen werd of misschien minder bewust van was. Hoe goed ik me deze meneer ook herinner, ik weet niet goed wie hij als mens was. Hoe was het voor hem om daar al zo lang te verblijven, op dat kamertje in de hoek van de gang? Heb ik me gefocust op mijn taak of had ik ook aandacht voor hem?

Ik zie vooral de man in zijn geruite pyjama op bed en ik die ernaast zit op een krukje. Ik zie mezelf die haar best doet om de wond goed te verzorgen, netjes zoals het hoort. Opperste concentratie. Wat zou hij wel niet gedacht hebben van die stagiaire die, net zo zwijgzaam als hij, daar zat naast zijn bed?

Een moment in de ochtendzorg, moment waar collega’s maar wat blij waren dat ik de intensieve verzorging van de wond overnam. Met de ervaring van nu had ik meer willen vragen aan deze meneer. Was ik tijdens mijn taak ook meer het gesprek met hem aangegaan. Nu lag de focus op die grote en indrukwekkende wond, want dat was het zeker. De wond verzorgen, kon ik inmiddels wel.

Met de ervaring van nu zou ik het anders doen en zoveel meer vragen stellen en misschien ook wel niet. Misschien vond hij het juist wel fijn die stilte tussen ons. Dat wist ik dan, dan was het ook goed. Dan had ik in ieder geval me verdiept in hem als persoon en was hij meer dan de man met de wond in het kamertje op de hoek van de gang. Zoveel meer dan dat.

Wie was hij?

Kapper

‘Je bent naar de kapper geweest’ hoor ik door de zaal. Dat kan maar van één bewoner afkomen: Ben. Iedere dag zit hij aan het hoofd van die ene tafel en van daaruit heeft hij goed zicht op alles en iedereen. Altijd opgewekt en altijd groetend.

Meestal als ik langs de tafels loop in de zaal groet ik de bewoners. Soms ben ik in gedachten en in de drukte loop ik wel eens te snel voorbij. ‘Goedemorgen’ hoor ik en dan weet ik dat iets ben vergeten. Na het ‘goedemorgen’ komt altijd de vraag: ‘Hoe gaat het?’ en dan antwoord ik en soms maken we samen een praatje.

Als de zon maar even schijnt, gaat Ben naar buiten. In alle opzichten een zonnig karakter en als je even niet in lekker in je vel zou zitten, weet hij met zijn opmerkingen en hartelijkheid een grote glimlach op je gezicht te toveren.  

In de zorg hebben we te maken met tekorten en vaak ervaren we te weinig tijd om even bij de bewoners te gaan zitten en bij te praten. Dat frustreert. En toch….het zit niet altijd in ruim de tijd nemen voor een gesprek, hoe fijn en waardevol dat ook is. In de wandelgangen kom je bewoners tegen en je groet, je maakt oogcontact, je lacht en je legt je hand even op iemands schouder. In het ‘goedemorgen’ en ‘eet smakelijk’ zeggen, laat je merken dat je de ander ziet. Ik wist dat wel, maar Ben bevestigt het me elke keer weer hoe belangrijk dat is. Gezien worden.

Zij zien jou ook. Zo ziet Ben precies wanneer het weer tijd is voor de kapper. ‘Waarom is je haar zo lang?’ vraagt hij heel direct en dan weet ik genoeg. ‘Ja, ja, ik moet weet naar de kapper’ zucht ik gekscherend en dan loop ik snel door.

Vandaag loop ik langs en ben ik benieuwd of hij het ziet, al weet ik het antwoord wel.

‘Je bent naar de kapper geweest’  klinkt het door de zaal. Hij ziet dat meteen, hoe leuk is dat! Ik knik. ‘Ja, ja, ik zag je vorige week wel kijken hoor’ en aan zijn lach te zien weet ik dat ik gelijk heb. ‘Zit het goed?’ vraag ik. ‘Ja, je haar is mooi, het zit goed’ zegt hij. ‘Dank je wel. Jouw haar zit ook geweldig’  zeg ik ietwat overdreven. Nu lacht Ben nog harder, want zijn hoofd is toch écht kaal.

Het stoeltje

‘Kijk dat ben ik’ en ze wijst een zwart-witfoto aan. Ik zie een klein meisje in een kanten jurkje op een stoeltje zitten. Amper één jaar oud. Een foto uit een ver verleden. Een bladzijde verder staart een iets ouder meisje me aan. Weer in een nette jurk en met kousen tot net onder de knie.

‘Wat een mooi meisje’ en mevrouw begint te glimlachen. Op haar wangen prijken nog enkele tranen. Zojuist kwam ik haar tegen op de gang. Heen en weer lopend, een pantykousje op de rollator. Zoekende naar haar moeder, van wie ze me tegelijk ook wist te vertellen dat die niet meer leefde. Zo verwarrend kan het zijn.

‘Mag ik met u oplopen?’ vroeg ik en dat mocht. Mijn arm in de hare, de gang heen en weer lopend. Ondertussen bleven de tranen stromen. ‘Ik ben verdrietig’ en ik herhaalde de zin ‘u bent verdrietig’. Ze knikte voluit en vervolgde haar verhaal. Verdriet om haar moeder die ze mist, verdriet omdat haar man er nu niet is en verdriet omdat ze zich zo verloren en eenzaam voelt.

Zo belanden we al pratend en wandelend op haar kamer. Ze gaat zitten op haar bed en ik mag naast haar komen zitten. De tranen lijken niet te kunnen stoppen. De pantykous fungeert ineens razendsnel als zakdoek, maar ik laat het maar zo. ‘Huil maar gewoon’ zeg ik en dat doet ze. Ze huilt om de moeder die ze mist.

‘Heeft u geen foto van haar?’ en dan staat ze op en pakt haar fotoalbum van de tafel. Zo gaan we samen langs foto’s uit een ver verleden, maar voor haar zijn ze heel dichtbij. Vol trots laat ze de foto van haar moeder zien. ‘Ze was een harde werker’ zegt ze en dat straalt de vrouw op de foto ook uit.

De tranen worden minder. Ze vertelt over haar moeder, vader, haar broers en haar zussen. Vol bewondering kijk ik naar de foto waarin deze bewoonster nog een meisje is. Een meisje op een stoeltje. Als ik voor me kijk, zie ik het stoeltje in een hoek staan. ‘Hé dat is hetzelfde stoeltje!’ zeg ik verrast en mevrouw kijkt net zo verrast als ik en vertelt me dat het klopt. Een stoeltje uit een huis waar ze ooit nog meisje was en dichtbij haar moeder kon zijn.

De tranen zijn er nog. De panty zit als een prop in haar gesloten hand gedrukt. Toch is daar ook de glimlach. Een moment van samen en minder alleen. Een moment waar ze even vond wat ze zocht. De blik van haar moeder. Al leeft ze niet meer. Zo verwarrend kan het zijn.

Eén been in de hemel

‘Jij staat met één been in de hemel’ zegt mevrouw Jacobs ineens. Ik heb haar op het toilet geholpen en wil net weglopen uit de badkamer. Mevrouw Jacobs verblijft al een aantal jaren in het verpleeghuis. Ze is bekend met dementie.

Met mevrouw Jacobs kan je nog goed een gesprek voeren. Meestal zit ze aan het hoofd van de tafel en houdt op die manier alles in de gaten. Als haar iets niet aanstaat bij een ander, benoemt ze dat meteen. Dat leidt wel eens tot de nodige woordenwisselingen aan tafel.

Na het avondeten kletsen we vaak nog even na aan tafel. Soms doen we een spelletje en soms zingen we met elkaar. Zingen kan mevrouw Jacobs als de beste. ‘Daar aan het kleine café aan de haven….’  zij kent ze uit haar hoofd en je hoort haar er bovenuit.

Als ze moe is en onrustig herhaalt ze zinnen. ‘Ik wil naar huis, mag ik naar huis?’ en ‘wanneer komt mijn dochter, wanneer komt mijn dochter?’ Dat blijft zich eindeloos herhalen, als een refrein dat in je hoofd blijft hangen. Als je bij haar bent, is ze gerust te stellen. Als je uit beeld verdwijnt, begint het geroep en uiteindelijk het geschreeuw.

Probeer dan als zorgverlener maar de rust te bewaren en geduldig te blijven. Haar eindeloos vragen, haar roepen en schreeuwen geeft onrust bij de andere bewoners en bij jezelf. Dat is niet fijn. Je wilt het als zorgverlener goed doen en het voelt als falen als je eigen geduld opraakt bij de onrust van een bewoner. Dat je voelt dat het kriebelt onder je huid als bewoners dezelfde vragen blijven stellen. Eindeloos.

‘Jij staat met één been in de hemel’ ze zegt het ineens en ik kijk haar vragend aan, alsof ik wil peilen hoe ze deze opmerking bedoelt. Bedoelt ze dit als compliment of is het cynisch? Met een glimlach kijkt ze me aan en ze knikt even. Goedkeurend knikkend, zo lijkt het. Het raakt me. Niet alleen omdat dit haar uiting is van ‘dank je wel’ zeggen, maar omdat het zo’n bevestiging is van dat wat ik ook wel wist. In haar onrust, haar verwijten en haar vragen, schuilt vooral de roep naar veiligheid en geborgenheid en de vraag: ‘Wil je bij me zijn?’

‘Jij staat met één been in de hemel’ het is een zin die nog wel eens naar bovenkomt in mijn gedachten. Mevrouw Jacobs is inmiddels overleden. Als ik aan haar denk hoor ik haar zingen en zie ik haar glimlach. Dan denk ik ook aan haar roepen en herhalen van zinnen, maar die mooie zin die ze me aanreikte overstemt alles. Dat was een inkijkje in wie ze werkelijk was, als mens.

Vakantie in de bergen.

‘Gingen jullie vroeger op vakantie?’ ik stel de vraag terwijl we koffie drinken. Aan tafel zitten bewoners met dementie. Voor mij ligt een boek dat gaat over vakantie. Mevrouw Smit vertelt dat ze heel veel landen met haar man heeft bezocht. Het liefst gingen ze richting Italië en dan gingen ze altijd met de caravan. Haar ogen kijken meteen blij als ze de herinneringen naar boven haalt

‘Wij gingen graag naar de bergen’ zegt mevrouw de Vries. Dan gingen we wandelen, maar in de winter gingen we met het hele gezin skiën. Ze kijkt dromerig voor zich uit en is dan stil. Ze wiegt heen en weer in haar rolstoel.

Ik kijk de tafel rond. Meneer Petersen vindt het moeilijk om uit zijn woorden te komen, maar als we samen de platen in het boek bekijken, glimlacht hij. ‘Wij gingen vroeger naar Ameland’ vertel ik. ‘We zaten dan in een huisje. Ik heb nog nooit gekampeerd’ zeg ik.  Mevrouw Smit kijkt me meteen verbaasd aan. ‘Heb je nog nooit gekampeerd’ zegt ze verbaasd en dan vertelt ze hoe ze vroeger met haar ouders op vakantie ging. Haar vader had zelf een tent gemaakt, van oranje stof.

Het is een gezellig moment aan tafel. Mooie herinneringen worden gedeeld en ik heb de platen in het boek niet nodig om de vakantiebeelden naar boven te halen. We zijn met elkaar in gedachten de plekken langsgegaan waar we ooit onze vakanties vierden. We waren weer even aan het strand, in de bergen of in het bos.

Niet lang daarna is mevrouw de Vries onrustig. Haar wiebelen in de stoel is overgegaan in het uit de rolstoel willen stappen. Ze lijkt geïrriteerd. Misschien is ze moe?

Het duurt even voor ik me realiseer wat er echt aan de hand is. Mevrouw de Vries vindt het net als de andere bewoners leuk om te praten over haar vakanties. Tegelijk haalt het ook iets anders naar boven. , namelijk de kwetsbaarheid waar ze nu in zit en waar ze zich ook nog deels bewust van is. Haar herinnering is tegelijk een wens die niet meer haalbaar is.

Een aantal weken later tref ik mevrouw onrustig aan op de groep. Ze is alsmaar aan het roepen en ik besluit haar mee te nemen naar beneden. Ik zet haar met de rolstoel bij het fietslabyrint. Al fietsend zie je op het scherm een locatie. Virtueel kan je bijvoorbeeld door je eigen stad of dorp fietsen. Ik heb een locatie in Oostenrijk ingesteld. Terwijl ik fiets, kijkt zij.

Als ik naar haar kijk, zie ik dat de onrust weg is. Er lijkt een glimlach op haar gezicht te zijn. In beeld zijn de bergen zichtbaar. Weer kijk ik en nu zie ik dat ze huilt. Tranen rollen over haar wangen. ‘Had ik dit beter niet kunnen doen?’ bedenk ik me. Ik rem af, maar mevrouw pakt mijn hand beet en ze knijpt er even in. Alsof ze me wil aanmoedigen om door te fietsen.

Voor heel even is ze in de bergen. Ze wordt niet belemmerd door haar kwetsbaarheid en onvermogen om te lopen. Ze is daar écht. Een uitstapje in de bergen. Ze geniet volop.

(Foto’s: Zahra Scheringa)

Haar naam in de krant

Het is gezellig in de zaal beneden. Ik loop voorbij, op weg naar de plek waar ik aan het werk ben. Er zitten een aantal bewoners beneden en sommigen hebben bezoek. De radio staat aan, er wordt gepraat met elkaar. Ik kijk de zaal eens rond en glimlach naar de bewoonster die me enthousiast begroet.

Gezellig, totdat mijn blik getrokken wordt naar een tafel bij het raam. Daar zit een bewoner en hij staart naar de krant. Ik sta even stil, ook in mijn gedachten. ‘Zijn vrouw is toch net overleden?’ gaat er door me heen. Ik loop op hem af en condoleer hem. Hij kijkt me verdrietig aan en dan zie ik dat hij de krant opengeslagen heeft bij de rouwadvertenties.

Hij zit alleen aan een tafel. Ik ga naast hem zitten en parkeer mijn eigen bezigheden. Ik hoef niet zoveel te zeggen. Hij wijst me de advertentie aan waar de namen van zijn vrouw voluit afgedrukt staan. Ik lees haar namen hardop voor en ik zie de tranen glinsteren in zijn ogen. ‘Hoe lang waren jullie getrouwd?’ vraag ik en dan vertelt hij.

Hij vertelt me waar ze elkaar ontmoet hebben. ‘Tijdens het dansen’ zegt hij. Hij glimlacht even, het is een mooie herinnering. Dan staart hij weer naar de advertentie en leest hij de namen van zijn kinderen en kleinkinderen hardop voor. In zijn stem voel je de liefde en het verdriet, omdat zijn vrouw daar niet meer bij betrokken is.

Ze zijn zoveel jaren samen geweest. Kortgeleden zijn ze hier komen wonen. Een hele verandering, maar ze waren in ieder geval bij elkaar, hier in het verpleeghuis. Nu is ze overleden. Het is moeilijk te bevatten voor hem. De laatste regels van de advertentie beschrijven wanneer de crematie is. We kijken er samen naar. ‘Overmorgen toch?’ vraagt hij. Ik knik zwijgzaam en dan rollen de tranen volop over zijn wangen.

‘Het spijt me dat ik zo moet huilen’ zegt hij ‘ik ben zo verdrietig.’ Hij veegt met zijn zakdoek de tranen weg, die maar blijven stromen . Samen zijn we stil en staren we naar de advertentie. Hij streelt de tekst met zijn vingers.

De gezelligheid, het geroezemoes en de muziek gaat aan ons voorbij. Totdat een collega op ons afkomt. Er is koffie voor de bewoners en aan hem wordt gevraagd of hij erbij komt zitten. Dat wil hij wel. De krant wordt zorgvuldig opgevouwen en belandt in de mand van de rollator.

Straks wordt de krant vast weer opengeslagen, als hij alleen op zijn kamer is. Zoekt hij haar advertentie op, met haar namen voluit afgedrukt. Zo dichtbij onder zijn vingers en nog dichterbij in zijn herinneringen en in zijn hart.

Haar naam in de krant, maar voor hem zoveel meer.

Zwaai maar!

‘Volgende week heb ik vakantie’ zeg ik tegen mevrouw. Ze heeft mijn hand vastgepakt. Vandaag zijn er veel stiltes tussen onze zinnen. Ze is moe, zó ontzettend moe.

Geregeld kom ik bij haar. Er is veel om over te praten voor haar. Ik hoef alleen maar te luisteren. De laatste weken worden de bezoekjes steeds korter. Ze gaat achteruit en ze is zichtbaar moe. Ze ligt alleen nog maar op bed. Op mijn vraag hoe het vandaag met haar gaat, weet ze me geen antwoord te geven. ‘Tja, wat zal ik zeggen’ en ik begrijp het. Wat moet je ook zeggen?

Als ze wakker is geniet ze van de boom die ze kan zien en de vogel op het dak van de overburen. Ze geniet van de zon die aan de hemel schijnt en ze vertelt me dat hij draait. ‘Kwart over tien ’s morgens. Let maar op!’ en ik zeg haar dat ik zal kijken. Ze heeft gedachten die maar doorgaan en soms deelt ze er een paar met mij.

De dagen vloeien in elkaar over. Elke dag is het steeds meer afscheid nemen van het leven en meer en meer bezig zijn met sterven. Terwijl er draden zijn die nog gehecht moeten worden, moet ze ook steeds meer loslaten. Haar gedachten staan niet stil.

‘Hoe zal het zijn? Sterven?’ dat zijn vragen die haar bezig houden op dit moment. Ze blijft mijn hand vasthouden. ‘Lekker warm zijn jouw handen’ en dan sluit ze haar ogen weer. Zo zijn we samen een tijdje stil.

‘Lekker dat je vakantie hebt’ zegt ze ineens. ‘Dan zien we elkaar denk ik niet meer’ en even opent ze haar ogen. ‘Als je me niet meer ziet, zwaai dan maar naar mij’ en ik knik en zij lacht.

Ik zie haar inderdaad niet meer. Haar kist wordt uitgedragen. Bijzonder moment altijd, het afscheid van een bewoner. Als alle personeel in een rij in de hal staat, de kist op de baar voorbij komt. Als iedereen stil is en meeloopt en wacht tot aan het moment dat de rouwauto wegrijdt, uit het zicht verdwenen is.

In gedachten zeg ik haar gedag. Ik zwaai, heel even. Zoals beloofd.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag