Het stoeltje

‘Kijk dat ben ik’ en ze wijst een zwart-witfoto aan. Ik zie een klein meisje in een kanten jurkje op een stoeltje zitten. Amper één jaar oud. Een foto uit een ver verleden. Een bladzijde verder staart een iets ouder meisje me aan. Weer in een nette jurk en met kousen tot net onder de knie.

‘Wat een mooi meisje’ en mevrouw begint te glimlachen. Op haar wangen prijken nog enkele tranen. Zojuist kwam ik haar tegen op de gang. Heen en weer lopend, een pantykousje op de rollator. Zoekende naar haar moeder, van wie ze me tegelijk ook wist te vertellen dat die niet meer leefde. Zo verwarrend kan het zijn.

‘Mag ik met u oplopen?’ vroeg ik en dat mocht. Mijn arm in de hare, de gang heen en weer lopend. Ondertussen bleven de tranen stromen. ‘Ik ben verdrietig’ en ik herhaalde de zin ‘u bent verdrietig’. Ze knikte voluit en vervolgde haar verhaal. Verdriet om haar moeder die ze mist, verdriet omdat haar man er nu niet is en verdriet omdat ze zich zo verloren en eenzaam voelt.

Zo belanden we al pratend en wandelend op haar kamer. Ze gaat zitten op haar bed en ik mag naast haar komen zitten. De tranen lijken niet te kunnen stoppen. De pantykous fungeert ineens razendsnel als zakdoek, maar ik laat het maar zo. ‘Huil maar gewoon’ zeg ik en dat doet ze. Ze huilt om de moeder die ze mist.

‘Heeft u geen foto van haar?’ en dan staat ze op en pakt haar fotoalbum van de tafel. Zo gaan we samen langs foto’s uit een ver verleden, maar voor haar zijn ze heel dichtbij. Vol trots laat ze de foto van haar moeder zien. ‘Ze was een harde werker’ zegt ze en dat straalt de vrouw op de foto ook uit.

De tranen worden minder. Ze vertelt over haar moeder, vader, haar broers en haar zussen. Vol bewondering kijk ik naar de foto waarin deze bewoonster nog een meisje is. Een meisje op een stoeltje. Als ik voor me kijk, zie ik het stoeltje in een hoek staan. ‘Hé dat is hetzelfde stoeltje!’ zeg ik verrast en mevrouw kijkt net zo verrast als ik en vertelt me dat het klopt. Een stoeltje uit een huis waar ze ooit nog meisje was en dichtbij haar moeder kon zijn.

De tranen zijn er nog. De panty zit als een prop in haar gesloten hand gedrukt. Toch is daar ook de glimlach. Een moment van samen en minder alleen. Een moment waar ze even vond wat ze zocht. De blik van haar moeder. Al leeft ze niet meer. Zo verwarrend kan het zijn.

Haar naam in de krant

Het is gezellig in de zaal beneden. Ik loop voorbij, op weg naar de plek waar ik aan het werk ben. Er zitten een aantal bewoners beneden en sommigen hebben bezoek. De radio staat aan, er wordt gepraat met elkaar. Ik kijk de zaal eens rond en glimlach naar de bewoonster die me enthousiast begroet.

Gezellig, totdat mijn blik getrokken wordt naar een tafel bij het raam. Daar zit een bewoner en hij staart naar de krant. Ik sta even stil, ook in mijn gedachten. ‘Zijn vrouw is toch net overleden?’ gaat er door me heen. Ik loop op hem af en condoleer hem. Hij kijkt me verdrietig aan en dan zie ik dat hij de krant opengeslagen heeft bij de rouwadvertenties.

Hij zit alleen aan een tafel. Ik ga naast hem zitten en parkeer mijn eigen bezigheden. Ik hoef niet zoveel te zeggen. Hij wijst me de advertentie aan waar de namen van zijn vrouw voluit afgedrukt staan. Ik lees haar namen hardop voor en ik zie de tranen glinsteren in zijn ogen. ‘Hoe lang waren jullie getrouwd?’ vraag ik en dan vertelt hij.

Hij vertelt me waar ze elkaar ontmoet hebben. ‘Tijdens het dansen’ zegt hij. Hij glimlacht even, het is een mooie herinnering. Dan staart hij weer naar de advertentie en leest hij de namen van zijn kinderen en kleinkinderen hardop voor. In zijn stem voel je de liefde en het verdriet, omdat zijn vrouw daar niet meer bij betrokken is.

Ze zijn zoveel jaren samen geweest. Kortgeleden zijn ze hier komen wonen. Een hele verandering, maar ze waren in ieder geval bij elkaar, hier in het verpleeghuis. Nu is ze overleden. Het is moeilijk te bevatten voor hem. De laatste regels van de advertentie beschrijven wanneer de crematie is. We kijken er samen naar. ‘Overmorgen toch?’ vraagt hij. Ik knik zwijgzaam en dan rollen de tranen volop over zijn wangen.

‘Het spijt me dat ik zo moet huilen’ zegt hij ‘ik ben zo verdrietig.’ Hij veegt met zijn zakdoek de tranen weg, die maar blijven stromen . Samen zijn we stil en staren we naar de advertentie. Hij streelt de tekst met zijn vingers.

De gezelligheid, het geroezemoes en de muziek gaat aan ons voorbij. Totdat een collega op ons afkomt. Er is koffie voor de bewoners en aan hem wordt gevraagd of hij erbij komt zitten. Dat wil hij wel. De krant wordt zorgvuldig opgevouwen en belandt in de mand van de rollator.

Straks wordt de krant vast weer opengeslagen, als hij alleen op zijn kamer is. Zoekt hij haar advertentie op, met haar namen voluit afgedrukt. Zo dichtbij onder zijn vingers en nog dichterbij in zijn herinneringen en in zijn hart.

Haar naam in de krant, maar voor hem zoveel meer.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag