‘Wie ben je, wat is je verhaal?’

Als ik mevrouw verzorgde, moesten ook haar haren worden gedaan. Dat moest in een paar draaien in een wrong, schuifjes erin en vervolgens een speld. Daar heb ik een aantal keren op moeten oefenen, zodat het niet na een uur weer uit elkaar viel.

Ze lag op een kamer van vier bewoners. Het was mijn eerste stage, mijn eerste kennismaking met het werken in de zorg. Ik kwam op een afdeling voor mensen met dementie, diep verzonken dementie. Zij lag daar ook, met haar mooie broze grijze haren. Ze keek me nooit echt aan. Het leek wel of ze dwars door me heen keen. Heel soms kwamen er wat klanken, maar woorden sprak ze niet. ‘Wie ben je, wat is je verhaal?’ dat vroeg ik me vaak af. ‘Wie ben jij, bewoonster op een kamer van vier.’

Als er koormuziek werd opgezet, leefde mevrouw op. Haar handen gingen omhoog en ze begon te wiegen in haar stoel. Haar ogen werden groot en haar klanken schoten een octaaf omhoog. In haar hart zong ze waarschijnlijk het hoogste lied, zong ze zo de psalmen mee. Ik keek daar met verwondering naar en dan kwam nog meer die vraag naar boven: ‘Wie ben jij? Wat is jouw verhaal?’

Veel persoonlijke spullen had mevrouw niet. Ze had alleen een prikbord boven haar bed waar vele foto’s zichtbaar waren. Daar zag ik haar, als meisje en als jonge vrouw. Ze straalde kracht uit in haar houding. Daar stond ze op in een donkere jurk of juist een vrolijke met bloemetjesmotief, haar haren keurig opgestoken. Lachend, samen met anderen en soms ook alleen. Beelden uit het verleden, in zwartwit en sepia.

Ik heb daar vaak naar gekeken. Terloops, of even wat langer. Ik heb de verhalen gehoord van collega’s, kleine flarden van haar leven. Ik zag het kort en bondig beschreven in het verslag in haar dossier. Alles bij elkaar kwam haar bestaan meer tot leven. Werd ze meer dan een bewoonster in een verzonken dementie, onbereikbaar voor ons. Zwartwit en sepia kreeg steeds meer kleur.

Ze werd iemand die ik als mens nooit vergeten ben en die altijd bij me bovenkomt als ik de vraag stel aan mezelf of aan anderen: ‘Wie is je bewoner, wat is zijn verhaal?’

Tien weken duurde mijn stage in het verpleeghuis. Het leerde mij de basis voor hoe je zorg geeft. Hoe je wast, hoe je aankleedt, hoe je een bed opmaakt, hoe je bewoners eten geeft. Het heeft vooral ook de basis gelegd in het kijken naar de mens achter de dementie. Haar haren uitborstelen, werd meer dan een dagelijks terugkerende handeling. Het werd iets wat bij haar hoorde, waar ze aandacht aan besteedde en wat ik met mijn handen voor haar overnam. Sierlijke wrong, schuifjes erin en een speld. Ik zie het nog zo voor me, met mijn ogen dicht. Mooie bewoonster, op een kamer van vier.

Maak je website op WordPress.com
Aan de slag