‘Heb jij chocolade?’ mevrouw Hendriks loopt me tegemoet op de gang. ‘Heb jij chocolade?’, vraagt ze nog eens, terwijl ze me smekend aankijkt. ‘Ik heb zó’n zin in chocolade’ voegt ze eraan toe, alsof ze wil benadrukken hoe hoog de nood is.
Mevrouw Hendriks is een mooie statige dame. Soms komt ze even naast me zitten en dan vraagt ze wat ik aan het doen ben. Als ze opstaat legt ze haar hand op mijn hand en wenst ze me een goede dag toe. Ze weet zelf niet zo goed wat ze moet doen en dus loopt ze de gang op. Heen en weer.
Ik heb helaas geen chocolade bij me en omdat ik bezig ben met andere dingen, heb ik ook even niet zoveel tijd voor haar. Ik vertel haar dat ik straks wel even ga kijken en voor nu neemt ze daar genoegen mee. Ze loopt weer naar het andere eind van de gang.

‘Ik heb zó’n zin in chocolade’ ja dat gevoel ken ik wel. Niet zozeer bij chocolade. Soms is het een dropje zijn. Of ineens een portie kibbeling zodra je de geur van vis ruikt op de markt. Ik heb de vrijheid om gewoon maar te kopen waar ik zin in heb en om uit de keukenkast te pakken wat ik wil.
Bewoners zijn meestal afhankelijk van dat wat de zorgmedewerkers ze aanbieden. Als je ineens in je hoofd hebt dat je zin hebt in chocolade, kan die reep nog zo helder voor je liggen in je gedachten, daarmee proef je hem nog niet.
Ik heb haar afgeleid door te zeggen dat ik er straks naar zal kijken. Doe ik dat ook echt? Nee, de ervaring leert dat het geregeld gezegd wordt om iemand af te leiden, om de gedachten uit de onrust te halen. Mevrouw Hendriks is na een wandeling door de gang waarschijnlijk al vergeten dat ze zo’n zin had in chocolade.
‘Wil je een chocolaatje?’ een vrijwilliger komt op me af met een bordje waarop een aantal chocolaatjes liggen. Ik glimlach. Zou mevrouw Hendriks die gezien hebben? Zou dat haar getriggerd hebben, zoals debvislucht op de markt mij aanzet om een portie kibbeling te halen? Hoe dan ook: ik kan nu wel mijn belofte waarmaken. ‘Mevrouw Hendriks wil dat wel, die heeft zin in chocolade’ en de vrijwilliger draait zich om en loopt naar haar toe.
‘Wilt u een chocolaatje?’ vraagt ze. Mevrouw Hendriks kijkt naar het bordje en neemt er één. ‘Dank u wel’ zegt ze en op haar gezicht zie ik een grote glimlach verschijnen. Van oor tot oor.
Ik loop terug naar mijn bureau. Stiekem heb ik spijt dat ik het aanbod om een chocolaatje te pakken heb afwezen. Inmiddels heb ik ook wel zin in chocolade.
