Even naar zee

‘Sluit uw ogen maar’ en mevrouw sluit haar ogen. Ze zit tegenover me in een stoel. Op de achtergrond zijn de geluiden hoorbaar van de golven en de wind. ‘Kom, we gaan de zee opsnuiven’ en allebei halen we heel diep adem. Mevrouw heeft een glimlach op haar gezicht.

‘Zullen we met de voeten in het water?’ vraag ik. ‘Ik ben bang voor de golven’ zegt ze en ze opent één oog en kijkt mij aan en sluit hem vervolgens weer. ‘We doen het heel voorzichtig en we gaan niet ver. We laten de golven onze tenen aanraken’ en dan wil mevrouw wel.

In gedachten stropen we onze broekspijpen op en staan we samen bij de zee. Het zoute water raakt ons aan en gaat dan weer. We bukken ons en nemen de mooiste schelpen mee. We snuiven nogmaals en genieten van de geur van de zee en daardoor heen een vleugje zonnebrand. Ja, zij ruikt het ook.

‘Ging u vroeger naar zee?’ vraag ik. Ze knikt van ja. ‘In het land waar ik vandaan kom….’ en dan begint ze te vertellen. De zee neemt haar zomaar mee naar witte stranden en palmbomen, naar kiezelstenen en warme temperaturen. Het zijn fijne herinneringen die ze deelt.

Stilte en luisteren.

Totdat er naast het geluid van golven en wind een ander geluid hoorbaar is. Verschrikt kijkt ze me aan. ‘Wat is dat?’ vraagt ze. ‘Dat is het gekrijs van meeuwen. Dus houdt uw koekje maar goed vast’ en dan lacht ze voluit.

Tijdens de koffie, even naar zee.

Een laatste kus

Wachten op de laatste zucht, de laatste ademhaling. In het verpleeghuis maken we dit geregeld mee. Naasten die waken, soms dagen en nachten achter elkaar. De stilte en de rust van een bewoner die niet meer bij bewustzijn is, wordt soms als beklemmend ervaren.

‘Hoort ze me nog? Weet hij dat ik er ben?’ het zijn vragen die gesteld worden. Vaak denk ik terug aan een bijzonder moment. Ik werkte toen nog in het hospice en ik draaide een nachtdienst. Halverwege de nacht had ik een echtgenote gebeld, haar man ging zichtbaar achteruit. Het was een vrouw op hoge leeftijd, maar ze kwam en ze bleef de hele nacht bij hem.

Hij reageerde niet meer op haar, maar haar hand bleef rusten op zijn hand. Ze depte zijn voorhoofd en maakte zijn lippen vochtig. Geregeld zal ik even bij haar en dan deelde ze mooie herinneringen met mij. We hebben veel gepraat samen.

Toen mijn dienst er op zat. liep ik nog even de kamer op, om afscheid te nemen. Mevrouw stond naast het bed en streelde de wang van haar man. Op dat moment opende hij zijn ogen en bewoog zijn lippen. Hij tuitte zijn lippen, alsof hij haar een kus wilde geven. Mevrouw boog zich voorover en gaf haar man een kus op de mond. Met dat zij weer rechtop wilde staan, overleed hij in haar armen.

Waardevol moment. Waken en wachten op de laatste zucht werd een waken en ontvangen van een laatste kus.

Verbinding op gevoel

Ze zit wel aan tafel, maar ze sluit steeds haar ogen. Knikkebollend in de stoel. Voor haar ligt een schaaltje met stukjes gesneden banaan. ‘Ze eet slecht’ vertelt een collega mij ‘ze valt af’. Ik zie het aan haar.

Soms kijkt ze op en kijkt ons starend aan. Ziet ze me wel, of kijkt ze langs me heen? ‘Ze begrijpt ons niet goed, ze is zo leeg’ vervolgt mijn collega en ik begrijp wel wat ze zegt. We zeggen het wel eens als bewoners dieper in hun dementie raken en de wereld aan ze voorbij lijkt te gaan, als de woorden niet meer binnendringen, taal niet meer begrepen wordt. ‘Leeg, ze lijkt zo leeg’.

En toch…

Leegte is als een huls, waar de mens steeds meer uit verdwijnt. Ik vraag me af of dat zo is en of ik dat zo wil zien. Wij verdwijnen, wij worden niet meer begrepen, wij worden vage beelden in haar werkelijkheid. In haar schuilt het meisje, de vrouw die ze is en altijd zal blijven. De leegte zit er alleen maar tussen ons, in de verbinding die voor haar niet voelbaar is.

Dus stap ik haar ruimte in, haar werkelijkheid. Dat is een wereld zonder woorden. Ik ga op mijn hurken naast haar zitten en ik leg mijn hand op haar hand. Ze opent haar ogen en staart er naar. Stil, we zijn samen stil. Ze kijkt naar de hand en langzaam draait ze haar hoofd en kijkt mij aan. Ze kijkt naar mij en ik vang haar blik.

Zo zit ik even naast haar. Mijn hand op de hare en vervolgens pak ik de vork en prik er een stukje banaan aan. Ik lach naar haar en breng de vork naar haar lippen. Ze opent haar mond en hapt de banaan van de vork. Langzaam kauwt ze, starend naar onze handen. Soms buigt ze haar hoofd en sluit haar ogen. Ze is zo moe, ik zie aan alles dat ze moe is.

Ik streel nog eenmaal haar hand, ik moet weer verder. Ze kijkt op en heel langzaam verschijnt er een glimlach. In de stilte hebben we contact, wordt de leegte opgevuld. Verbinding op gevoel.

‘Stel je voor…als kakkerlak.’

‘Ik ben niet bang voor de dood, ik ben bang voor wat daarna komt’ is een uitspraak van een bewoner tijdens een gesprek. Niet weten wat daarna is, gaf onzekerheid en angst. In alles waar deze man de eigen regie had en zelf zoveel mogelijk grip op zijn leven probeerde te houden, verloor hij op dit punt zijn houvast.

Tja, wat is er ook daarna? Als collega’s spraken we daarover na tijdens de lunch. Waar de één onzeker was over wat daarna kwam, geloofde de ander in een leven na de dood. Eén collega hoopte niet dat de theorie over reïncarnatie waar zou zijn. ‘Stel je voor dat je als kakkerlak terugkeert’ zei ze en daar moesten we om glimlachen.

‘Ik ben niet bang voor de dood….’ dat geldt niet voor iedereen. Bij bewoners en óók bij naasten merk ik vaak angst voor het sterven. Daar heeft iedereen zijn eigen beeld en verhaal bij. Zelfs als er een zekerheid is dat er een leven na de dood is, is het sterven iets om tegenop te kijken. ‘Krijg ik pijn? Kan ik stikken? Sterf ik alleen?’ het zijn zomaar gedachten die iemand bezig kunnen houden.

‘Bent u bang voor de dood? Bent u bang om sterven? ik weet dat dit een directe vraag is. Het is niet een vraag om zomaar te stellen en tegelijk hoeven we er niet omheen te draaien. Voor vrijwel alle bewoners in een verpleeghuis is dit hun laatste thuis en zij of hun naasten zijn zich daar goed bewust van. Er komt een moment dat ze hier zullen sterven. Je voelt meestal in een gesprek wel aan of je hierover kan praten. Vaak merk ik de opluchting, omdat je deze vraag stelt. Waar ze zelf al mee bezig waren in hun hoofd, is bespreekbaar, ligt open op tafel.

Ik vind dit waardevolle gesprekken. Het is kwetsbaar en je mag als zorgverlener dichtbij de ander komen. Het geeft de ander de ruimte om vragen te stellen, te vertellen waar hij of zij bang voor is of wat rust geeft en waar de wensen liggen. Soms kan je door jouw uitleg iemand gerust stellen. Het komt ook voor dat bewoners en naasten er nog niet aan toe om daarover te spreken, maar bied je wel de opening en de veiligheid om er later op terug te komen.

‘Ik ben niet bang voor de dood’ zei deze meneer in het gesprek. ‘Ik ben wel bang voor wat daarna komt’ vervolgde hij. Het leverde niet alleen een gesprek op met hem, maar óók met collega’s. Luchtig tijdens de lunch.

‘Stel je voor, als kakkerlak….’

Straks is niet nu

‘Straks is niet nu’ ik hoor het haar zeggen. Een collega wandelt met een bewoonster over de gang. In de huiskamer klinkt het gerammel van de pannen, het avondeten wordt voorbereid. Ik sta in de hal, te wachten op de lift. Ik ga zo naar huis. ‘Straks’ denk ik in gedachten en dat is voor mij dichtbij.

Ik kijk de lange gang in, waar ik mevrouw zie lopen, mijn collega er vlak naast. Het liefst wil mevrouw een andere route volgen dan de rechte baan die de gang biedt. Liever gaat ze naar links of naar rechts, opent ze deuren van de kamers van andere bewoners. De collega leidt haar steeds weer naar de lange gang, om te voorkomen dat ze bij een andere bewoner op de kamer komt. ‘Kom maar, we gaan niet de kamers op. Kom maar, straks gaan we eten.’ Mevrouw reageert en het is duidelijk te horen: ‘Straks is niet nu’.

‘Straks….’ we zeggen het vaak, bedenk ik me, terwijl de lift op nog zich laat wachten en ik naar het trappenhuis loop. Ik kan de zinnen in mijn hoofd bedenken. ‘Ga nog maar even zitten, we gaan straks koffiedrinken’ of ‘Ga nog maar even in bed liggen, straks komt de zorg bij u’.

‘Straks is niet nu’.

Straks is ver weg als je leeft in het moment van nu. In het nu waarin je voelt dat je naar huis moet gaan, dat je voor je man moet zorgen. In het nu waar de aardappels geschild moeten worden, waar je de kinderen uit moet zwaaien voor school. In het nu waarin je voelt dat je naar je werk moet gaan, waar je denkt en zeker weet dat je nu écht op moet staan, omdat anders….

Haar woorden dansen na in mijn hoofd, terwijl ik de trappen afloop naar beneden. In het nu van dit moment, is er voor haar geen ruimte voor straks.

Straks is als de lange gang waarin je wandelt en waarvan je niet ziet waar het op uitloopt. Straks zijn de woorden die geen rust geven, als je liever zoekt achter deuren wat je kwijt geraakt bent. Als je zoekt naar de grip op je gedachten en de flarden bij elkaar wil houden van dat wat ooit was. Als je zoekt naar geborgenheid en veiligheid, omdat het nu zo onrustig en angstig voelt, wil je niet wachten op straks.

Straks is niet nu. Ze heeft gelijk.

Mijn lach is weg

Nel loopt meestal vrolijk op mij af. Ze lijkt me te herkennen en dan is ze blij dat ze me ziet. Ze maakt een praatje en ik bewonder altijd haar jurk. Jurken draagt ze graag, zoals ze ook altijd een ketting om haar hals draagt, die door de hanger goed opvalt.

Vandaag zit ze wat lusteloos aan tafel. Het is spelletjesmiddag en Nel zit aan de tafel waar ze aan het sjoelen zijn. Iedereen lijkt plezier te hebben en één bewoner is fanatiek bezig om de hoogste score te behalen. Nel niet, Nel kijkt nors voor zich uit en lijkt niet op te merken dat ik op haar af loop. Ik probeer contact met haar te krijgen. ‘Nel, waar is je mooie lach?’ vraag ik en ze kijkt me somber aan. ‘Mijn lach is weg’ en ik geloof haar meteen, zo treurig als ze kijkt.

Ik doe een poging om haar op te vrolijken. ‘Wat heb je een leuk vest aan’ en dat meen ik ook. Hij valt niet alleen op door de rode kleur, maar het is ook opvallend dat ze dit keer géén jurk draagt. Nel lacht niet terug. Ze vertelt over haar moeder en haar broers, die niet op bezoek komen en dat ze daar niets van begrijpt.

‘Waar is je mooie lach?’ is mijn vraag, maar het maakt geen verbinding met haar gevoel. Haar gedachten zijn bij anderen, naasten die niet bij haar zijn. Naasten uit een ver verleden, maar in haar wereld van vandaag hebben ze een bestaan. ‘Ik snap dat je ze mist’ zeg ik en ze knikt bevestigend, terwijl ze naar de sjoelbak staart.

Je wil dat bewoners het goed hebben. Liever geen gemopper, geen geklaag, geen ongeduld. Liever geen ruzie aan tafel tussen bewoners onderling. We sussen, we troosten, we proberen de rust te bewaren en de gezelligheid en we motiveren ze om mee te doen aan activiteiten die worden georganiseerd. Daar is ook niets mis mee. Bewoners hebben echter ook gewoon hun nukken, boosheid, irritaties en verdriet.

Mag dat er zijn?

De volgende dag zie ik haar aan het einde van de gang lopen. Ze loopt naar me toe en zwaait vrolijk naar me. Ik zie duidelijk een lach op haar gezicht. ‘Is je lach er weer?’ ik kan het niet laten dat te vragen. ‘Ja, beetje bij beetje vind ik hem terug’ zegt ze ineens heel ernstig. ‘Oh gelukkig maar’ zeg ik ‘als je lacht vind ik jou het allermooist’ en dan lacht Nel volop. Een lach van oor tot oor.

‘Wie ben je, wat is je verhaal?’

Als ik mevrouw verzorgde, moesten ook haar haren worden gedaan. Dat moest in een paar draaien in een wrong, schuifjes erin en vervolgens een speld. Daar heb ik een aantal keren op moeten oefenen, zodat het niet na een uur weer uit elkaar viel.

Ze lag op een kamer van vier bewoners. Het was mijn eerste stage, mijn eerste kennismaking met het werken in de zorg. Ik kwam op een afdeling voor mensen met dementie, diep verzonken dementie. Zij lag daar ook, met haar mooie broze grijze haren. Ze keek me nooit echt aan. Het leek wel of ze dwars door me heen keen. Heel soms kwamen er wat klanken, maar woorden sprak ze niet. ‘Wie ben je, wat is je verhaal?’ dat vroeg ik me vaak af. ‘Wie ben jij, bewoonster op een kamer van vier.’

Als er koormuziek werd opgezet, leefde mevrouw op. Haar handen gingen omhoog en ze begon te wiegen in haar stoel. Haar ogen werden groot en haar klanken schoten een octaaf omhoog. In haar hart zong ze waarschijnlijk het hoogste lied, zong ze zo de psalmen mee. Ik keek daar met verwondering naar en dan kwam nog meer die vraag naar boven: ‘Wie ben jij? Wat is jouw verhaal?’

Veel persoonlijke spullen had mevrouw niet. Ze had alleen een prikbord boven haar bed waar vele foto’s zichtbaar waren. Daar zag ik haar, als meisje en als jonge vrouw. Ze straalde kracht uit in haar houding. Daar stond ze op in een donkere jurk of juist een vrolijke met bloemetjesmotief, haar haren keurig opgestoken. Lachend, samen met anderen en soms ook alleen. Beelden uit het verleden, in zwartwit en sepia.

Ik heb daar vaak naar gekeken. Terloops, of even wat langer. Ik heb de verhalen gehoord van collega’s, kleine flarden van haar leven. Ik zag het kort en bondig beschreven in het verslag in haar dossier. Alles bij elkaar kwam haar bestaan meer tot leven. Werd ze meer dan een bewoonster in een verzonken dementie, onbereikbaar voor ons. Zwartwit en sepia kreeg steeds meer kleur.

Ze werd iemand die ik als mens nooit vergeten ben en die altijd bij me bovenkomt als ik de vraag stel aan mezelf of aan anderen: ‘Wie is je bewoner, wat is zijn verhaal?’

Tien weken duurde mijn stage in het verpleeghuis. Het leerde mij de basis voor hoe je zorg geeft. Hoe je wast, hoe je aankleedt, hoe je een bed opmaakt, hoe je bewoners eten geeft. Het heeft vooral ook de basis gelegd in het kijken naar de mens achter de dementie. Haar haren uitborstelen, werd meer dan een dagelijks terugkerende handeling. Het werd iets wat bij haar hoorde, waar ze aandacht aan besteedde en wat ik met mijn handen voor haar overnam. Sierlijke wrong, schuifjes erin en een speld. Ik zie het nog zo voor me, met mijn ogen dicht. Mooie bewoonster, op een kamer van vier.

Appeltaart met luchies.

‘Wie kan er appeltaart bakken?’ de vrouwen aan tafel kijken me ineens allemaal geïnteresseerd aan. Zojuist heeft een bewoonster vertelt dat haar oom ziek is. ‘Tjonge, jonge, jonge, wie had dat nou gedacht! Oom Piet is nooit ziek en nu is hij ziek’ en iedereen keek haar meelevend haar aan. Totdat ze dit herhaalde en herhaalde en nogmaals herhaalde. De mevrouw aan de overkant boog haar hoofd, het leek wel of ze zich ervoor wilde afsluiten. De mevrouw op de hoek begon zich te irriteren, schoof onrustig heen en weer op de stoel en zuchtte hoorbaar.

Naast mij zit een nog een bewoonster. Zij lijkt zich nergens aan te storen. Ze heeft haar focus op het tafelkleedje die onder de bak met plantjes ligt. Een kleedje met strepen, ze volgt ze met haar vingers. Ook dat vindt mevrouw op de hoek niet fijn en dat maakt ze met felle bewoordingen duidelijk. Daar zit ik dan tussen en ik zie het gebeuren. De verhalen over oom Piet en het gefrutsel aan het kleedje doet wat met de sfeer.

‘Ik wil bloem’ zegt de mevrouw naast me ineens. Eerst denk ik nog dat ze doelt op bloemen, omdat ze nu eenmaal pal voor de kunstplanten zit. Nee, dat bedoelt mevrouw zeer zeker niet en ze schudt heftig met haar hoofd. ‘Bedoelt u om te bakken?’ vraag ik en nu kijkt ze me lachend aan.

‘Wie kan er appeltaart bakken?’ vraag ik dan maar en alle vier de vrouwen kijken me blij aan en ze steken enthousiast hun vingers omhoog. ‘Hoe maakt u dat, wat doet u er in?’ en ik zie ze denken met elkaar. Het is net of de allemaal met hun schorten voor in hun eigen keuken staan en de planken afgaan op zoek naar de juiste ingrediënten. ‘Meel’ zegt de één. ‘Appels’ zegt de ander. ‘Rozijnen, kaneel, boter….’ langzaam aan krijgt de appeltaart steeds meer vorm in onze verbeelding.

‘En luchies…..zegt de vrouw naast me parmantig. Iedereen kijkt haar vragend aan. ‘Bedoelt u dat het lekker ruikt?’ vraag ik, want dat kan ik me wel voorstellen. In gedachten zie je niet alleen de appeltaart, je ruikt hem bijna ook. ‘Nee luchies’ en ze vindt het maar vreemd dat ik dat niet weet. ‘Dat is een kommetje suiker!’, ze kijkt iedereen heel stellig aan en we knikken braaf.

Oom Piet is vergeten, het kleedje levert geen prikkels meer op. Iedereen kijkt een tikkeltje voldaan. De lucht is geklaard en wat overblijft is een taart in gedachten en hoe goed we die samen gebakken hebben.

In gedachten, in het echt is hij er natuurlijk niet. Onze appeltaart met luchies.

Zorgend

Twee poppen liggen op haar arm. Een jongen en een meisje. Levensecht bijna. Ze wiegt ze op haar arm. Het jongetje is kaal, althans zo lijkt het. Het meisje heeft echter veel hoofdhaar. Aaibaar. Mevrouw streelt geregeld met haar vingers erover heen en strijkt vervolgens heel lichtjes over de blosjes op de wangen van het meisje.

Foto: A. Bruinsma

‘Heeft ze dat van haar moeder, die dikke bos haar?’ vraag ik aan mevrouw. ‘Nee’ zegt ze stellig ‘moeder had dat niet’. Ze knuffelt de beide poppen en ze zucht ook. Twee van die poppen op je arm zijn best zwaar. ‘Zullen we samen zingen voor ze?’ vraag ik en dan zetten we samen ‘slaap kindje slaap’ in. De bewoonster naast me kijkt me verbaasd aan, terwijl het ontbijt nog voor haar op tafel staat. Dan lacht ze toch en ze neuriet zachtjes mee.

Ik zie haar meestal lopen. Heen en weer, buiten in de tuin. Ze probeert of het tuinhek open kan, maar het tuinhek zit dicht. Dan loopt ze weer haar vaste rondje, tot ze ons weer glimlachend passeert en een volgende ronde begint.

Ze wil graag zorgen. Ze schenkt de koffie in, maar wél op haar manier. Kopje op een schotel waar een lepeltje op drijft. Ze wast de borden af en als je niet uitkijkt staat daarna alles weliswaar netjes in de kast, maar plakken de aardappelresten er nog aan. De planten krijgen volop water, zelfs de kunstbloemen komen niets tekort in deze woning. Ze werpt je haar zakdoek toe als je morst op tafel en ze buigt zich ongevraagd over je heen, om je kraagje glad te strijken.

In haar zorgen zit haar rust. Zo lijkt het. Alsof ze er dan grip op heeft. In het niets doen, zit een leegte waar ze geen vat op heeft. Het ritme van de dag, die heeft ze niet zelf meer in de hand. Sterker nog, de tijd deelt ze met anderen. Die prikkelen haar om te zorgen, die wijzen het vaak ook af. Zo dwaalt ze rondjes, in haar gedachten en in de stappen die ze zet.

Nu zit ze echter. Ze kan geen koffie schenken, ze kan de tafel niet afnemen, ze kan haar medebewoonster niet wakker schudden, die dommelend naast haar zit. Op haar arm liggen twee poppen en ze kiest er zelf voor om te blijven zitten. Voor de poppen op haar arm, die slapend op haar arm lijken te liggen. Voor even is de rust niet ongrijpbaar, voor even heeft de rust een plekje in haar gevoel.

Zo rustig zittend. Zo zorgend. Zo in haar element.
Mooi moment.

Contact!

Als ik jou zie moet ik altijd glimlachen. Met vertedering kijk ik je aan, wie niet eigenlijk? Kleine vrouw in een rolstoel met badstof bekleding. Alsof je gekoesterd wordt, omhuld wordt met een laag zachtheid die jouw kwetsbaarheid beschermd.

Teer leven.

Je staart me aan, terwijl ik voor je ga zitten. Ogen samengeknepen, maar ergens zijn de pretlichtjes zichtbaar en jouw nieuwsgierigheid. Het lijkt alsof je me iets wil vertellen, maar in plaats daarvan trek je jouw wenkbrauwen op. Je uit wat klanken, maar ik versta je niet. Je blik lijkt te zeggen dat je contact wil, maar je komt niet dichterbij.

Aan tafel is het gezellig. De muziek staat aan. Krijg je het mee? Soms dommel je weg, ondanks de koffie en de arretjescake die wordt aangesneden. Jouw kleine wereld opgesloten in de kuip van je stoel. Tussen de zachtheid van het badstof, zit je daar. Je raakt me.

Verzonken gedachten, naar binnen gekeerd. Ergens ook zo alert, alsof je de omgeving in je op wil nemen en daar onderdeel van wil zijn. En je bent er onderdeel van, hoe klein je wereld ook is. Als ik mijn haar uit mijn gezicht wegstrijk, zie ik jouw hand ook omhoog gaan. Heel langzaam gaan je vingers langs je dunne haar. De krulletjes die er nog inzitten, dansen speels om je heen.

In het spiegelbeeld zit soms het geheim.

Mijn armen strek ik voor me uit, ze rusten op tafel. Langzaam gaan jouw armen vooruit, totdat je met jouw vingers mijn handen aanraakt. Warme hand op mijn hand. Je pakt mijn pols beet en met de andere hand streel je me. Zachte, gerimpelde hand over mijn rood verkleurde armen. Heel teder voel je. Met alle aandacht die je hebt, zo lijkt het, voel je met je hand mijn arm.

Ik kijk jou aan en jij kijkt mij aan. Je hand blijft mijn onderarm strelen en er verschijnt een glimlach op je gezicht. We hebben contact!

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag