‘Daar brandt geen licht’

‘Aan de binnenkant van mijn ogen, daar brandt geen licht’ zei ze wat verdrietig. Ik moet nog vaak denken aan die uitspraak. Ze had die nacht wakker gelegen en toen ik op haar kamer kwam, wilde ze graag dat ik nog even bij haar bleef. Dus ging ik naast haar zitten op haar bed. Ze hield mijn hand vast, gaf aan dat ze bang was en het was voldoende dat ik er was.

Zo zaten we een tijdje. Zwak licht van de schemerlamp, stilte en rust en zij bijna bedekt door een warme deken. Dat leek zo veilig en geborgen, maar blijkbaar was de nacht lang en was ze bang. Ze kon zich niet goed overgeven aan de rust, ze voelde niet de veiligheid om te gaan slapen.

‘Als ik mijn ogen sluit…’ tja en wat dan? Dan komen de dromen, de gedachten, het onderbuikgevoel dat opborrelt in de nacht. Ik kan ze niet vangen, ik begrijp niet altijd de flarden. Ik zie wel dat ze er zijn. Waar zit je met je gedachten? Waar ben je bang voor? Wat doet de nacht met jou? Ben je bang voor de beelden, of is het dieper, gaat het dieper dan dat?

Donker doet iets. In het donker is het leven minder grijpbaar. In het donker ben je alleen, is het stil op je eigen hartslag na en het tikken van de klok.

‘Ga maar slapen, bekijk de binnenkant van je ogen maar’ zei ik tegen haar. Ik moest verder, ik kon niet de hele nacht bij haar blijven. Andere bewoners belden, ik moest verder met mijn ronde. ‘Bekijk de binnenkant van je ogen maar’ en ik zei het met een glimlach. Bewoonster keek me niet lachend aan. Integendeel. Ze keek verdrietig en zei: ‘Aan de binnenkant van mijn ogen, daar brandt geen licht.’

Het ging niet om de schemerlamp, de warme deken en het tikken van de klok. Mijn hand in de hare, dat gaf gevoel van nabijheid, maar hield het donker niet op afstand. Misschien een beetje, het schoof haar bange dromen even aan de kant. Met het sluiten van haar ogen, was de angst weer levensgroot. De angst om te slapen en te vechten tegen de onzekerheid dat je misschien nooit meer wakker wordt.

Dat doet de nacht.

‘Bekijk de binnenkant van je ogen maar’ ik moet geregeld aan haar uitspraak denken. Ik zal dat niet zo snel meer zeggen, want dan denk ik aan het licht dat daar niet brandt. Als ik hoor van bewoners die bang zijn, juist ’s nachts, die niet goed slapen en onrustig zijn, dan denk ik wel altijd: ‘Was er maar een lichtje. Kon ik je maar een lichtje geven aan de binnenkant van je ogen, die je rust geeft in de nacht.’

Theezakmoment

Lees je ook altijd de vraag die er staat op de theezakjes van een speciaal merk thee? Ik lees hem altijd en lees hem ook vaak hardop voor aan mijn kinderen en mijn collega’s. De ene keer ontvang ik wat standaardantwoorden of geen antwoord, een andere keer is het antwoord verrassend. Een klein minigesprekje bij het aanrecht. Theezakmomentjes.

In het verpleeghuis zijn er volop theezakmomenten. Dat lijkt niet altijd zo. Bewoners zitten soms zwijgzaam bij elkaar. Op de afdeling somatiek zitten bewoners veel op hun eigen appartement en als ze dan aan de maaltijd gaan in het restaurant, lijkt me dat zo’n heerlijk moment om even met elkaar te kletsen. Dat is echter niet altijd zo en dan eet iedereen zwijgzaam zijn of haar bord leeg. Ik begrijp wel dat bewoners elkaar niet altijd wat te vertellen hebben. Dat hoeft natuurlijk ook niet, stilte mag er ook zijn. Het kriebelt wel bij me als ik langs die tafels loop en de stilte hoor, of enkel het getik van het bestek op de borden.

Dus….dan wens ik de bewoners een smakelijke maaltijd toe. Eén mevrouw kijkt me aan, haar hand gaat omhoog en ze zegt langzaam: ‘Dag Lydia!’. Ah kijk, ze kent mijn naam. ‘Mooie lippenstift’ en haar ogen beginnen te glimmen. Aan de andere tafel kijken de bewoners me verwachtingsvol aan. Ik kan daar, voor mijn gevoel, niet zomaar voorbij lopen. Ik vraag een bewoner hoe de nieuwe rolstoel bevalt. ‘Sturen gaat steeds makkelijker’ zegt hij. Met een rare omweg komen we uit bij het rijbewijs.

‘Ik heb geen rijbewijs’ zeg ik. Nu heb ik zeker alle aandacht. Een paar bewoners, waaronder de bewoner van de nieuwe rolstoel, grijnzen breeduit. Ze lachen me nog net niet uit. Schijnbaar is het grappig en het lokt ook verbazing uit. ‘Ik fiets’ zeg ik opgewekt, terwijl het buiten regent en waait. ‘Ik heb ook geen rijbewijs hoor’ zegt een mevrouw troostend. ‘Moet je ver fietsen?’ vraagt een meneer. ‘Dat valt mee’ antwoord ik en ik noem de straat waar ik woon en ik vertel welke bewoner er vroeger in woonde. ‘Het zegt mij niets…..’ zeg ik erbij maar ik merk dat ze aan tafel volop weten wie dat is.

‘Oh Pietje, van het pompstation!’ zegt meneer enthousiast en een andere bewoner knikt bevestigend. Herkenning volop. Verhalen liggen ineens op tafel en de aandacht voor het ontbreken van mijn rijbewijs is totaal verdwenen. Dat geeft ook niet. Ik vind het leuk dat de bewoners met elkaar in gesprek zijn. Over Pietje, over de wijk waar ik woon en wie daar nog meer woonde. Over het pompstation….en ik loop verder om weer aan het werk te gaan. Het geroezemoes aan tafel is niet zomaar weg. Ik hoor ze doorpraten met elkaar. Leuk is dat.

Het is eigenlijk niet zo moeilijk om een gesprek te beginnen. Ergens is er wel een haakje, waar een verhaal aan opgehangen kan worden. Ook bij bewoners op de pg-afdeling. Soms is het wel handig als je iemand kent. Zo zat ik laatst naast een bewoonster op de groep. Het spel ‘Vragenderwijs’ lag op tafel. Een koffertje vol vragen en zinnen die afgemaakt moeten worden van spreekwoorden en liedjes. ‘Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de Overtoom’ lees ik hardop voor (wetende dat mevrouw uit Amsterdam komt) en mevrouw maakt de zin voor me af.

‘Ik begreep als kind nooit wat de Overtoom was’ vertel ik mevrouw. Mevrouw moet lachen, zij weet het wel. ‘Dat ligt in Amsterdam!’ zegt ze vrolijk. Voor we het weten hebben we het over de Prinsengracht, het Rijksmuseum en wandelen we met woorden door de Kalverstraat. ‘Ik ga weer hoor’ zeg ik en mevrouw bedankt me hartelijk voor het interessante gesprek. Ze zwaait me uit. Ik vind dat mooi. Even de stilte doorbreken, beelden opwerpen, herinneringen ophalen waar je samen van kunt genieten of de ander op kan bevragen. Theezakmomenten, vind ik dat.

Stilte is ook fijn. Gisteren zat ik aan een tafel achter de laptop in het restaurant te werken. Naast me zat een bewoonster eindeloos netjes te kleuren. Ik keek er met bewondering naar. Zoveel geduld en precisie bij het inkleuren en het kiezen van de potloden. Heel even keek ze op en sprak ze spontaan haar verbazing uit over het feit dat ik nog mijn eigen gebit had (daar moet ik dan weer om lachen), maar verder werkten we zwijgzaam verder.

‘Wilt u een kop koffie of thee?’ ik doorbreek de stilte tussen ons. Dat wil ze wel. Zij een kop koffie, ik een kop thee. ‘Zal ik de vraag voorlezen van het theezakje?’ gaat het even door mijn hoofd. Nee, ik laat het zo. Ook die momenten zijn fijn, gewoon genieten van de stilte en een warm kopje thee.

Tube zinkzalf

‘Wil je mijn zak insmeren?’ vraagt een patiënt terwijl hij in zijn witte ondergoed op de rand van zijn bed zit. ‘Het voelt allemaal zo schraal aan’ en hij reikt mij de tube met zinkzalf aan. Ik, 22 jaar en net afgestudeerd, trek handschoenen aan en neem de tube zalf van hem over. Terwijl op mijn vingertop een kloddertje zalf klaar ligt om uitgesmeerd te worden en meneer met ontbloot onderlichaam voor mij staat, word ik me ineens ergens bewust van. ‘Kan u dat eigenlijk niet zelf?’ vraag ik hem terwijl ik al begin te smeren. Meneer lacht hardop: ‘Ik vind het wel fijn als jij dat doet!’

Ik denk dat veel zorgverleners soortgelijke verhalen kunnen vertellen. Verhalen waar je soms wel om kan lachen en verhalen waar je echt wel merkt dat het je collega veel heeft gedaan. Mijn genoemde situatie, daar voelde ik me op dat moment naïef en dom bij. Ik had daar als verpleegkundige behulpzaam willen zijn en had totaal niet in de gaten dat er achter zijn vraag een andere wens schuil ging. Daar heb ik wel van geleerd en ik kan er achteraf ook wel om lachen.

Ik zie me daar nog zo staan, met die handschoen aan en die klodder zalf balancerend op mijn vinger. Zoals ik me ook zie staan bij dat bed in het het verpleeghuis. Mijn eerste stage, de verwachtingen waren hoog op de afdeling. HBO-V! Maar ik had nog nooit iemand in het echt hoeven wassen en daar werd ik ineens met waskommen en al bij het bed van een bewoner geplaatst. Een man! Het was druk op de afdeling, ze hadden geen tijd voor mij. Dus ja…Het is heus wel gelukt, maar ik zal dat gevoel van ongemak nooit vergeten.

Het is fijn als je stagiaires daarin begeleidt. ‘Heb je al eens iemand gewassen?’ en dan heb je een gesprek met elkaar daarover. Gun en geef ze de tijd om te leren om iemand te wassen. Vraag door hoe dat gaat en hoe de stagiaire dat ervaart. Dan blijkt de één het niet erg te vinden, maar soms is het ook wel wennen voor de stagiaire. Is het vreemd en voelt het intiem.

Dan neem je de stagiaire ook mee in hoe jij kan bijdragen in de zorg voor privacy van de bewoner. Waar zij niet altijd zelf hun grenzen kunnen bewaken of voor zichzelf kunnen opkomen, kan jij als zorgverlener wel letten op hoe je met hun kwetsbaarheid omgaat. Dat zit in simpele dingen als aandacht hebben voor een badkamerdeur die dicht is als jij ze helpt onder de douche. In het voorkomen dat een collega de kamer binnenkomt, terwijl jij de bewoner wast. Het overkomt ons allemaal wel eens, dat je wil vragen of je je collega nog kan helpen, om het hoekje van de deur kijkt en de bewoner net verdroogd wordt. Of dat je samen iemand wast, bijpraat over het afgelopen weekend. Pratend met elkaar was je de bewoner, die daar zo kwetsbaar tussen jullie in ligt. Het overkomt je wel eens, maar het is wel goed om je daar zo nu en dan bewust van te zijn.

Hoe zou ik dat zelf ervaren?

Je hebt ook je eigen grenzen in de zorg naar bewoners toe. Dat is niet altijd zo makkelijk als het lijkt. Want een bewoner met dementie die jou wel eens op de billen slaat….kan je hem daar eigenlijk wel op aanspreken? Helpt dat? Kan je dat gedrag nog veranderen? Wat doe je als een bewoner geregeld porno kijkt, terwijl jij de kamer binnenkomt en de steunkous uit wil trekken? Het is fijn als je dat binnen je team kan bespreken. Wat doet het met je? Raakt het je en wat kunnen we er als team mee? Moeten we er iets mee? Hoe ga je om met bewoners die jou spontaan een knuffel geven of zomaar een zoen op de wang. Vind je dat erg, hoort dat erbij als je bijvoorbeeld werkt met bewoners met dementie? Weet je van jezelf en van je collega hoe je daarin staat?

Maak het bespreekbaar.

Ach ja, zo is er nog heel veel te zeggen hierover. Als ik er met collega’s over praat, hebben we er mooie gesprekken over. Dan moet ik toch altijd weer denken aan die patiënt die me vroeg of ik zijn zak wilde insmeren. ‘Ik vind het wel fijn als jij dat doet’ ik hoor het hem nog zo zeggen. Mijn collega lacht als ik het haar vertel. ‘Heb je het wel ingesmeerd?’ vraagt ze. Nu moet ik ook lachen. ‘Ja, bleu als ik was, deed ik dat maar. Ik was toch al bezig. ‘

Vandaag ga ik

‘Vandaag ga ik dood’ zegt ze, terwijl ik haar op de rand van het bed heb zitten. Ik heb haar net de washand gegeven. Ze zegt het met een stelligheid, zoals ze dat vaker tegen mij zegt. Ik kijk haar aan en zij kijkt mij aan. ‘Vandaag ga ik dood’ en ze zoekt bij mij bevestiging.

‘Oh nee, niet vandaag hoor. Daar heb ik écht geen zin in’ zeg ik quasi serieus. ‘Hoezo niet?’ en ze wast haar wangen, ze worden er rood van. ‘Dan heb ik daar zoveel werk mee, daar heb ik vandaag helemaal geen zin in’ ze kijkt me verbaasd aan. ‘Meen je dat?’ vraagt ze en ze kijkt me recht in mijn ogen aan, alsof ze wil ontdekken of ik een grapje maak. ‘Ja, echt waar. Dan wil ik je netjes neerleggen, moet ik de arts bellen, je kinderen….vandaag niet hoor’ en ze beseft ineens dat ik haar inderdaad voor de gek houd. Er verschijnt een grote glimlach van oor tot oor. ‘Wat ben je toch een schat’ en dan begint de dag en ze heeft het niet meer over doodgaan.

Nou ja, soms wel. Soms is daar ineens de dood aanwezig. In haar vraag of je nog even bij haar blijft, even naast haar wil zitten op het bed en haar hand wil vasthouden, omdat ze bang is. Soms is ze ’s nachts wakker en is ze er stellig van overtuigd dat ze iemand heeft vermoord. ‘Ik heb écht iemand vermoord hoor, ze ligt in de gang’ en hoe ik haar ook wil geruststellen, het helpt niets. Ze blijft herhalen: ‘Ik heb iemand vermoord’ en denk maar niet dat ze nog slapen gaat.

‘Weet je wat, ik zal het opruimen en ik zal de gang dweilen. Dan zie je er morgen niets meer van ‘ zeg ik in een poging om haar rustig te krijgen. In het schijnsel van de schemerlamp zie ik dat ze haar hoofd op het kussen neerlegt en glimlacht. ‘Ah, dat is fijn’ zegt ze en wederom ben ik een schat. Ze draait zich om op haar zij en sluit haar ogen, in de veronderstelling dat zij lekker slapen mag en dat ik de boel wel opruim.

Met haar kan ik zo spreken. Wat ik bij een ander niet zeggen kan, dat kan bij haar wel. Het stelt haar gerust, en de kwinkslag in mijn woorden leidt haar af. Breekt het moment waarin ze alles wat somber ziet. Dan is de dood verdwenen en maken we de wasbeurt af. Is het weg, is het vergeten, totdat het ineens weer naar boven komt. ‘Blijf je even bij me? Ik ben bang.’

Totdat het sterven echt dichtbij is. Ze ligt op bed, ze wil niet meer. Haar mond houdt ze stevig dicht. Ze eet al dagen niet meer en de medicatie weigert ze volop. Het is goed zo. De dood dichtbij en ik sta naast haar bed. Ze slaapt, haar ogen iets geopend, maar ze kijkt me niet meer aan.

‘Vandaag mag je. Vandaag mag je sterven, het is goed. Je kinderen omringen je, ze zijn er allemaal’ en ik streel haar hand. ‘Vandaag mag je, ook in mijn dienst hoor!’ Het is geen kwinkslag en geen grapje om haar af te leiden, om de lach op haar gezicht te toveren. ‘Vandaag mag je’ is mijn aanmoediging aan haar om het los te laten. Het is goed en ik gun het haar zo.

Ze sterft die dag. Ik ben nog net niet naar huis. Samen met een collega verzorgen we haar, wassen we haar gezicht, kam ik haar haren. Voor een laatste keer. Zoveel jaren was ze hier, woonde ze hier. Terwijl ik naar haar kijk, komen al die momenten en gesprekken even naar boven.

‘Vandaag ga ik dood’ ik hoor het haar in gedachten zeggen. Ik streel haar hand en leg ze netjes over elkaar op de dekens neer.

‘Dag lieve bewoonster, ik vond jou ook een schat!’

Op reis!

We gaan op reis. Je kan blijven zitten, gewoon blijven zitten. We gaan op reis, reken maar. Het kost je niets, het is helemaal gratis. Heel even geduld en dan ben je waar je wezen wilt. Althans, dat hoop ik maar.

Zullen we dan maar? Vertrouw je mij?

Daar gaan we dan.

Voor we er erg in hebben zijn we al in Amsterdam. Het Rijksmuseum doemt voor ons op en ineens zijn we lopend door kleine straatjes bij je huis aangekomen. Maar het is een ver verleden en de beelden van alle gebouwen en herinneringen, zijn vervlochten met elkaar. De stilte valt en de vertwijfeling.

Je hoeft niet lang te wachten, onze reis wordt door een ander voortgezet. Ze neemt ons aan de arm mee en dan wandelen we langs de Kalverstraat, het paleis op de Dam, de Prinsengracht…..ja, dat zegt je nog wel wat. Ik zie je glimlach weer en je hoofd knikt instemmend, terwijl je nogmaals roert in de koffie.

Ineens zijn we weer in Twente, het stuur is door een ander overgenomen. Bevinden we ons voor het oude ziekenhuis van Oldenzaal. ‘Een prachtig mooi gebouw, daar heerste rust en stilte’ vertelt ze en we dwalen met haar mee door de lange gangen. We worden meegenomen naar de dansschool, waar zij haar eerste danslessen kreeg. Waar ze verliefd werd op haar man en we glimlachen allemaal. Ik zie het voor me, met haar sjaaltje om de hals. Zwierend meisje.

We gaan langs Utrecht, maar het flitst aan ons voorbij. De gedachten en de beelden zijn in mist gehuld. Totdat er ineens een opleving komt. ‘Wat hadden we een mooi weekend! We zijn met elkaar een weekend weg geweest!’ en we volgen niet het draadje, maar de glimmende ogen en het plezier dat we kunnen lezen in haar blik, maakt dat we nog steeds voldoening halen uit onze reis. Haar lach, haar rode blos, een hand op mijn hand.

Onze reis gaat verder. Dwars door Hongarije en we leren hoe we ‘proost’ in het Hongaars kunnen uitspreken. Dat zijn we uiteraard alweer vergeten, maar de pogingen om het goed na te zeggen, houdt ons even bezig. Hij lacht breeduit om onze beroerde uitspraak, terwijl hij herhaalt: ‘Egészégére!’

Ik neem je mee op reis. Ik neem je mee met mijn ene vraag: ‘Waar kom jij vandaan?’ en we genieten allemaal mee als je gaat vertellen. Als jij iets laat doorschemeren van de plaatjes in je hoofd. Waar de één lange verhalen kan vertellen, blijft de ander steken bij de voordeur. Het is goed, we weven al die verhalen aan elkaar. Als een bundel van mooie momenten, waar we samen van genieten. Als blaadjes vol zinnen en foto’s, die neerdwarrelen in ons hoofd.

Ik neem je mee op reis? Nee, jij neemt mij mee op reis. Jij laat mij iets van jouw wereld zien. Ik stap in en jij voert mij mee. In je gedachten en je herinneringen. Het zit in kleine zinnen en flinterdunne momenten. Ik vind ze waardevol. Ik luister graag naar jouw verhalen en opmerkingen. Zelfs als je het met woorden niet kunt uitdrukken, dan geniet je mee van onze reis. Ik zie het aan je ogen, de twinkeling die alles zegt.

Samen op reis. Aan tafel, achter de koffie. Hoe leuk is dat!

Poep en zo (2)

‘Ik moet bevallen, ik moet bevallen’ riep ze ineens uit, terwijl we haar aan het verzorgen waren. Ze was in paniek, maar wij bleven kalm en we moesten er ook wel een beetje om glimlachen. Bewoonster van negentig jaar, die het uitroept dat ze moet bevallen. ‘Pers maar’ zei ik. Dat leek me logischer dan te zeggen dat ze niet meer bevallen kon. Dus perste ze. Met dat de ontlasting er was, werd mevrouw rustiger en was het goed.

Foto gemaakt door Diane Oelen

Het is trouwens niet alleen maar ‘Poep en zo‘ in de zorg. Het is er wel. Ik kan het netjes defecatie noemen (‘def’ zoals wij het vaak noemen) of ontlasting, maar bij poep is het voor iedereen duidelijk. Poepen doen we allemaal. Praten over poep doen we normaal gesproken niet zo snel. Zeker niet tijdens het eten of koffiedrinken. Alhoewel…..

Vanmiddag hebben we er als collega’s uitgebreid over gesproken, zo na de overdracht in het geklets dat er nog was. We zaten op het het balkon en bespraken de types ontlasting. Wil je weten of het defecatiepatroon optimaal is, moet je dit bijhouden in je rapportage. Je kijkt niet alleen naar de hoeveelheid (weinig, normaal, veel), maar ook naar het type. Zo is er bij type 1 sprake van losse harde keutels en vertelt type 7 je dat je de eventueel voorgeschreven medicatie voor de stoelgang wel mag overslaan die dag. Bij type 7 is het namelijk heel vloeibaar.

Foto gemaakt door Diane Oelen

Als beelddenker zie ik er graag een plaatje bij en laat dat er nou ook zijn. Een poster waar al die types in beeld zijn gebracht. Daar keken we als collega’s geamuseerd naar en we lazen hardop voor wat er stond: ‘Als een worst, maar met barstjes aan de buitenkant‘ en ‘zachte en papperige delen met niet definieerbare randen…..’

Verderop zat een bewoner en naast hem was net zijn vrouw gaan zitten. Ze keek ons verbaasd aan, terwijl de koffie voor haar stond. We hebben haar netjes uitgelegd waar we het over hadden. Ze kon er gelukkig wel om lachen.

Als zorgverleners zijn we gewend aan poep, ongeacht het type. Nee, het is echt niet altijd een pretje, maar het hoort er gewoon bij. Dat is voor naasten natuurlijk niet zo, laat staan voor de bewoners zelf. Laatst sprak ik er met een collega uitgebreid over. Er zijn zoveel dingen die we soms onbewust doen, omdat we het zo vanzelfsprekend vinden. Als voorbeeld kwam de toiletgang ter sprake. Hoe vaak sluipt het er niet in dat je een bewoner op het toilet helpt en dat je ondertussen de kleren voor de volgende dag klaar legt of het gebit alvast poetst aan de wastafel. Met de rug naar de bewoner toe, maar toch….

Foto gemaakt door Diane Oelen

Zou je dat zelf prettig vinden?

We kwamen beide tot de conclusie dat we het gênant zouden vinden. Op het toilet wil je privacy. Niet alleen om de geluiden en de geur. Het is een moment waar we anderen niet naast ons willen hebben. Juist bij bewoners met dementie, is het zó belangrijk dat jij je inleeft in de beleving van de ander. Ook als het om de toiletgang gaat. ‘Hoe zou ik dat zelf willen?’ en het antwoord weet ik wel. Dan wil ik dat de zorgverlener weg gaat, mij de ruimte geeft en de rust om op het toilet te doen wat ik moet doen zonder het gevoel te hebben dat de zorgverlener ongeduldig aan het wachten is. Het sluipt er zomaar in en het is soms zo logisch dat het gaat zoals het gaat. Ik hoor het mezelf ook zo vaak vragen: ‘Bent u klaar?’, maar hoeveel tijd en rust gaf ik mijn bewoner eigenlijk?

Poepen is kwetsbaar. Poep is kwetsbaar. We staan er als zorgverleners letterlijk met de neus bovenop. Met onze professionele blik kijken we naar vorm, kleur, hoeveelheid. Dat doen we bijna automatisch en we rapporteren wat af als het daarover gaat. Tegelijk is het belangrijk om je bewust te blijven van de kwetsbaarheid. Van het intieme dat er bij komt kijken, de schaamte en het ongemak. Ongeacht wie je voor je hebt en hoe zorgafhankelijk iemand ook is, die kwetsbaarheid is er altijd.

De poster met type poep hebben we als collega’s vanmiddag volop bestudeerd. ‘Ik hang het wel naast de koelkast, boven ons bureau zei mijn collega. ‘Handig voor als je aan het rapporteren bent’ en dat is het zeker. Dan kan je zo nu en dan even spieken: welk type was het ook alweer?

‘Liever niet naast de koelkast, niet te zichtbaar’, zeiden we tegen haar. Poep blijft toch iets…nou ja, je begrijpt het wel. Niet iedereen wil al die soorten drollen zien, terwijl hij/zij geniet van een kopje koffie met een plakje koek.

Briefje voor mij!

‘Weer geen briefje voor mij’ zei ik lachend en ik keek naar alle briefjes op het prikbord. In de tijd dat ik stage liep, in dit geval binnen de psychiatrie, communiceerde je nog niet met de mail of via de mobiele telefoon. Wilde je iets doorgeven aan je collega, bijvoorbeeld om een dienst te ruilen, schreef je een briefje en prikte die op het prikbord. Zo hingen er geregeld briefjes met diverse voornamen aan de wand.

Als stagiaire maak je een periode onderdeel uit van een team. Ik kijk terug op leuke en leerzame stages, maar ik weet ook nog goed wat minder prettig liep. Zo was mijn allereerste stage in het verpleeghuis. Ik kwam op een afdeling terecht met bewoners in een vergevorderd stadium van dementie. Dat vond ik, als meisje van 19 jaar, confronterend. Hoewel verwachtingen uitgesproken waren, ging de begeleider er van uit dat ik al heel veel kon. Ik volgde immers de opleiding HBO-v. Ik kreeg een washand in mijn hand gedrukt en werd aan het bed van een man neergezet. Dan is het oefenen met een pop tijdens de opleiding toch écht wel anders dan de praktijk.

Een mooie ervaring was een moment tijdens mijn stage in het ziekenhuis, toen ik voor het eerst mocht meehelpen bij het afleggen van een overleden patiënt. ‘Kijk eerst maar en voel maar, voel maar hoe het voelt als iemand overleden is’ zei mijn begeleider en voorzichtig raakte ik de arm van de vrouw aan. Het was voor mij de eerste keer dat ik zo dichtbij een overleden persoon stond. Ik neem die ervaring nog altijd mee naar de begeleiding van stagiaires. ‘Voel maar eerst, kijk maar rustig, neem de tijd.’

Het is fijn als je als stagiaire ervaart dat je tijdens je stage onderdeel bent van het team waar je werkt. Kort na mijn stage op de ambulance trouwde ik. Toen we bij het stadhuis kwamen, stond daar een ambulance met loeiende sirenes. Ze hadden een rit zo geregeld dat twee collega’s vanuit Zwolle ook in Hengelo ons konden feliciteren. Dat vond ik bijzonder en ontzettend leuk.

Stagiaires zijn waardevol. Ze zijn je nieuwe collega’s en juist voor de zorg zo ontzettend belangrijk. Het sluipt er door de drukte zomaar in dat ze meewerken, terwijl ze er vooral zijn om te leren. Om kritische vragen te stellen, om je te laten nadenken over waarom je je werk zo doet zoals je het doet. Stagiaires dagen je uit om je werk anders aan te pakken, om open te staan voor dat wat zij leren tijdens de opleiding. Tegelijk is het mooi om ze te motiveren en te enthousiasmeren voor het werken in de zorg. De verdieping daarin mee te geven en de rugtas vol ervaringen te vullen. Om herinneringen mee te geven die ze weer kunnen overdragen als ze zelf stagiaires gaan begeleiden.

Zelf wilde ik nooit in een verpleeghuis gaan werken, puur door mijn minder prettige ervaringen tijdens mijn eigen stage in het verpleeghuis. Het is goed gekomen. Ik werk inmiddels in het verpleeghuis en ik heb veel affiniteit gekregen met de zorg aan bewoners met dementie. Ook veel affiniteit met de palliatieve zorg, waarbij de basis is gelegd bij het moment aan dat bed in het ziekenhuis.

Ook met het briefje is het goed gekomen. Tijdens een patiëntenbespreking in het kantoor zit ik tegenover twee medestagiaires. Hoewel het overleg heel serieus is, zitten de beide jongens alsmaar wat te glimlachen. Ze hebben duidelijk ergens heel veel plezier om. Ik voel me wat ongemakkelijk, omdat ik maar niet begrijp waarom ze zo moeten lachen. Totdat mijn blik ineens valt op het prikbord verderop en ik tot in mijn hals rood kleur. Nu beginnen de jongens nog meer te lachen en ik lach mee. Op het prikbord hangen, net als anders, heel veel briefjes. Mijn naam hangt er tussen. Niet op één briefje, nee op alle briefjes staat geschreven: ‘Lydia’.

‘Wie helpt mij?’

Je bent hier nog niet zo lang, ik ken je niet zo goed. Deze ochtend wandel je ineens mijn groep op. In het verpleeghuis hebben we een ‘open deuren’ beleid. Bewoners zijn vrij om door het hele gebouw te lopen, dus komt er ook wel eens een bewoner van een andere groep in de huiskamer of loopt door de gang. Vanmorgen sta jij ineens voor me. Het is nog vroeg, de meeste bewoners slapen nog. Jij bent wakker, klaarwakker.

‘Wie helpt mij, wie helpt mij?’ en je duwt met de rollator tegen de muur aan. Ik weet niet of je een antwoord zoekt, inmiddels heb ik begrepen dat je deze vraag de hele dag door roept. Werken op een pg-afdeling vind ik mooi. Ik merk ook de passie bij mijn collega’s. Dat is nodig, werken met bewoners met dementie vraagt veel van je. Je moet je kunnen inleven in de ander, in de belevingswereld van je bewoner. Het vraagt creativiteit om met situaties zó om te gaan dat de bewoner, maar ook de andere bewoners, daar rust en voldoening in vinden. Het vraagt geduld, als eindeloos dezelfde zinnen herhaald worden: ‘Wie helpt mij, wie helpt mij?’ of ‘Zuster, zuster, zusterrrrrrr!’

We zijn niet altijd geduldig. Mijn collega’s en ik, hoe goed we ook ons best doen, soms lopen we even weg. Tellen we tot tien als voor de zoveelste keer dezelfde vragen worden gesteld. Als steeds dezelfde bewoner je aanklampt, of maar blijft duwen met de rollator tegen de muur aan. Soms zuigen ze alle geduld bij je weg, we zijn ook maar mensen. Jij, met je vragen, je onrust, ik kan me zo goed voorstellen dat mijn collega’s wel eens zuchten als je weer roepend over de gang loopt.

Ik leg mijn hand op je schouder, ik probeer je aan te kijken. In je ogen lees ik een leegte, in je ogen lees ik angst. ‘Kom maar’ zeg ik. Terwijl je blijft roepen, probeer ik je te begeleiden naar de andere groep. ‘Hier gaan ze je helpen’ maar ik weet niet of dat je rustig maakt.

Met de lunch eten we me beide groepen buiten. Dat is gezellig. We zitten met elkaar aan een lange tafel en jij zit voor mij. Weer word ik geconfronteerd met de leegte die dementie kan geven. Dat er zoveel mist in je hoofd kan zijn. Zoveel flarden van herinneringen, die eigenlijk niet meer dan rafels zijn. Dunne, flinterdunne draden in het brein. Ongrijpbaar verleden. Wie ben jij? Welke vrouw schuilt er achter jouw blik, die ogen die zo angstig staan? Wie verstopt zich achter de vragen, dat eindeloos vragen en herhalen? Wie ben jij écht?

In een gesprek met bewoners onderling, zie ik ineens dat je lacht. Heel even is de angst weg, ontspannen de spieren zich in jouw gezicht. Je lacht en spontaan zeg ik: ‘Wat een mooie lach heb jij!’

Je buigt je hoofd, je lacht verlegen, je bloost nog net niet. Ik zie een zachtheid die dwars door alle spanning heen breekt. Het is maar heel even. Als je niet kijkt, mis je het moment. In je mimiek, in je houding geef je mij een inkijkje in wie jij bent. Iemand die verlegen wordt van een compliment en er ook van geniet. Dat vind ik mooi en het raakt me. Ik zie een rafel van jouw bestaan, van je zijn. Het daagt me uit om jouw verhaal meer en meer te ontrafelen. De puzzelstukjes bij elkaar te leggen, zodat je meer bent dan je eindeloos vragen: ‘Wie helpt mij?’

‘Ik leer jou dansen’

‘Ik leer jou dansen’ zegt ze. Het is stil op de groep, de meeste bewoners zijn aan het rusten. De was ligt gevouwen in de wasmand en de koffie pruttelt. Zo’n momentje in de huiskamer, dat je tijd hebt voor één op één contact met de bewoner die nog rondloopt. De bewoner die geen rust vindt en graag jouw aandacht heeft.

Ik vraag haar welke muziek zij mooi vindt. In de ochtend hebben we naar ABBA geluisterd. Ze hadden meegezongen. Sommigen luidkeels en anderen binnensmonds. Een bewoonster zat zwijgend mee te luisteren, maar in haar ogen schitterden lichtjes. Zichtbaar genoot ze. Dat vind ik mooi om te zien. Het is leuk om muziek te luisteren die bewoners herkennen. Zo maak ik de ene bewoner erg blij met liedjes uit de Jordaan, de ander met André Rieu en weer een ander luistert graag klassieke muziek.

‘Welke muziek vind jij mooi?’ vraag ik. Mevrouw moet even nadenken. ‘Ik hou van schlagermuziek’ zegt ze. Dus zoek ik op onze iPad schlagermuziek op. Een andere bewoonster komt bij ons staan, als de eerste muziek door de huiskamer schalt. Ze staan beiden mee te wiegen. ‘Kom’ zegt ze, ze reikt haar beide handen naar me uit, omdat ze met mij wil dansen.

‘Ik kan helemaal niet dansen’ zeg ik grappend, maar tegenstribbelen heeft geen zin en er is zeker geen excuus meer als ze zegt: ‘Ik leer jou dansen.’

Daar gaan we dan, zwierend door de huiskamer met enkel de andere bewoonster als toeschouwster. Lachende gezichten en vrolijke muziek. Dan kan je ook eigenlijk niet stil blijven staan. ‘Je hoeft alleen maar mee te bewegen’ en ze leidt me verder, langs de eettafel en het keukenblok.

‘Je hoeft alleen maar mee te bewegen’ zegt ze. Hoe waar zijn die woorden, juist in de zorg aan mensen met dementie. Meebewegen met hun herinneringen, met wie ze zijn en met hun beleving. Dat is wel een zoektocht en er zijn momenten dat het niet lukt, dat de wereld van de ander onbegrepen is en gesloten blijft. Een uitdaging is het om de openingen te vinden. Waar vind ik de ander en hoe kan ik de ander iets aanbieden waarin hij of zij zichzelf herkent en daar blij of rustig van wordt? Dat de ander zich gezien voelt en waardevol?

‘Ik leer jou dansen’ en ze groeit in haar rol. Ik hoef alleen maar mee te bewegen.

De koffie is er door. Ik ga de koffie inschenken. Het dansen is voorbij, de muziek gaat nog even door. Haar glimlach is er ook nog. Alsof ze in gedachten nog steeds aan het dansen is. Danst op schlagermuziek.

Pretoogjes met een traan

Hij loopt steeds naar de huiskamer. Het is midden in de nacht. In plaats van te slapen, loopt hij rond. Van zijn slaapkamer naar de woonkamer. De belsensor gaat regelmatig af en soms ligt hij in zijn bed, heft zijn hoofd op en wens ik hem welterusten.

De pieper gaat weer af en ik loop naar de gang. Daar zit hij in de huiskamer, een beker chocolademelk heeft hij ingeschonken en ernaast liggen drie speculaasjes opgestapeld. Hij kauwt gedachteloos en merkt me niet meteen op. In de stilte van de nacht, een bewoner die niet slapen kan.

‘Kan u niet slapen?’ vraag ik en hij knikt bevestigend. De chocolademelk drinkt hij op en ik vraag of ik met hem naar zijn kamer zal meelopen. Dat is goed en hij staat op. De drie speculaasjes leg ik op zijn rollator neer. Zo lopen we terug naar zijn kamer. Ik trek de lakens glad en hij gaat zitten. ‘Ach, kom even zitten, even praten’ en hij lacht er vriendelijk bij.

Daar zit ik dan, naast zijn bed op de rollator (ja, eerst de speculaasjes veilig op het nachtkastje neergelegd). ‘Ik moet alsmaar denken aan mijn vrouw, ik mis haar zo’ en hij wijst naar de foto op een kastje. We kijken er samen naar. ‘Wat is ze mooi!’ zeg ik en hij begint te lachen. Pretoogjes met een traan.

In de nachtdienst wil je dat je bewoners slapen, dat ze rustig zijn. ‘Ga maar lekker slapen, het is nog maar midden in de nacht!’ hoe vaak hoor ik me dat niet zeggen tegen bewoners die dwalen. Het kost soms veel geduld en ook wat creativiteit om bewoners weer naar bed te begeleiden. Soms voor de zoveelste keer in één nacht. ‘Ga maar lekker slapen, bekijk de binnenkant van je ogen’ waarop een bewoonster ooit zei: ‘maar daar brandt geen licht!’ De nacht is nu eenmaal niet de veiligste plek voor iemand die angstig is.

Deze bewoner is niet angstig, maar wel verdrietig. Hij vertelt over zijn vrouw en over zijn zoon die zo plotseling is overleden. Mijn oog valt op de vele kleurrijke platen aan de wand. Als ik daar naar vraag, zijn ineens de herinneringen aan zijn vrouw en zijn zoon verdwenen. Hij begint te praten over zijn reis naar Afrika. Over zijn liefde voor het land, voor de dieren, voor de olifant.

Als ik hem zo hoor praten, over al die mooie herinneringen, maar ook over zijn gemis en zijn verdriet, dan raakt me dat wel. Herinneringen bij bewoners met dementie zijn vaak flarden en flarden worden langzaam rafels. Draden en lijnen in de tijd, maar het roept wel gevoelens bij ze op.

Wat gaat er in hun hoofd om, welke flarden laat ze dwalen, zorgen ervoor dat ze niet slapen kunnen? Mag dat ook het gemis en het verdriet zijn, mag dat ook de drang zijn naar een stukje eigen ruimte, in het opeisen van een beetje aandacht en klein stukje van je tijd? Dat je meekijkt naar de flarden, naar de rafels en begrijpt waarom ze wakker zijn?

Als de slaap niet komt, als gevoel je wakker houdt. Als de tranen in je hart gaan stromen, als je gewoon even in een hoekje wil gaan zitten met een kopje chocolademelk. Ik geef hem geen ongelijk.

‘Ga maar lekker slapen’ ik zeg het toch maar als hij weer warm onder de dekens ligt. De speculaasjes liggen onaangeroerd op het nachtkastje. ‘Welterusten, droom maar mooie dromen, droom maar van Afrika én van de olifant!’ en hij begint te glimlachen als ik dat zeg. Ik zie pretoogjes. Pretoogjes met een traan.

‘Welterusten hoor!’

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag